‘De wereld trok aan mijn kraam voorbij’ – Tjitske Jansen

Gepubliceerd in Trouw, 28 maart 2015

De eerste baan maakt vaak diepe indruk. Dichter en schrijver Tjitske Jansen (44) begon op de markt. Deze maand verscheen haar boek ‘Voor Altijd voor het Laatst’.

“Ik dacht meteen: dát moet ik doen. Fruit verkopen op de markt, het klonk romantisch. Ik had al heel wat korte uitzendbaantjes gedaan die ik verre van leuk vond. Tijdens één van die baantjes – afwashulp in het ziekenhuis – vertelde een collega dat haar dochter stopte op de markt. Hé, dacht ik. Als er iemand weggaat, hebben ze vast een nieuwe nodig.

Het was heerlijk, want het was buiten, en er was reuring. Ik heb vaak het verlangen – nog steeds – om ergens te kunnen zijn waar ik gewoon mag rondkijken, zonder zelf echt deelnemer te zijn. Op de markt kon dat. De wereld trok voorbij aan mijn kraampje.

Ik hield van het contact met de mensen; het lichte ervan, het vluchtige. Fruit verkopen was als een excuus om heel even iets met elkaar uit te wisselen. Altijd vrolijk, omdat je in zo korte tijd alleen de lichtheid van het leven met elkaar deelt. Vaak stond ik ook te flirten.

Ik was een van de weinige jonge kooplui, een meisje van een jaar of achttien – waarschijnlijk ook wel een verschijning op die markt. De vrouw van de toko waar ik altijd broodjes bapao ging halen, herkende mij: ‘Dit is niet jouw plaats’, zei ze. ‘Dit is iets tijdelijks.’ Ik voelde me zowel vereerd als teleurgesteld. Ik wist zelf eigenlijk ook wel dat het waar was, maar op dat moment wilde ik het liever niet horen. Ik vond de markt juist heerlijk, een bevrijding.

Op de kunstacademie, waar ik net gestopt was met mijn opleiding, had ik altijd het gevoel gehad dat ik niet goed genoeg was. We werden daar behoorlijk ontmoedigd: zelfs als je een diploma zou halen, was je nog steeds nergens. Je moest veel discipline hebben, en ik was nog erg jong. Ik vond op kamers wonen al een fulltime baan. Wanneer ik naar school fietste en de mensen zag die ‘s ochtends hun winkel openden, dacht ik: Mag ik niet gewoon dát doen?

Nu stond ik vier dagen in de week op de markt. Twee keer op het grote plein in Arnhem, twee keer in een buitenwijk. De markt in de binnenstad was het leukst: daar kwamen vooral studenten, tweeverdieners en uitslapers – de relaxte types. In de buitenwijken waren het de huismoeders, die rekenden mee of je genoeg wisselgeld teruggaf.

Uiteindelijk ging ik wel weer terug naar school. Ik koos voor een theateropleiding, daar was ik meer op mijn plaats dan op de kunstacademie. Ik werd er minder faalangstig van. Op de markt heb ik niet langer dan een jaar gestaan, toen werd ik ontslagen. Ik vond het heel jammer, maar ik snapte het wel: ik had me twee keer achter elkaar verslapen.”

Leave a Reply