‘Onder de douche zag ik haar huidtumoren’ – Roeland Fernhout

Gepubliceerd in Trouw 30 mei 2015

De eerste baan maakt vaak diepe indruk. Acteur Roeland Fernhout (43) begon in een bejaardenhuis. Hij is te zien in de dramaserie ‘Zwarte Tulp’.

“Ik had net eindexamen gedaan, mijn leven stond zo’n beetje aan het begin. Die hele zomer bracht ik door met mensen die aan het einde van hun leven waren. Een ontluisterende doch verrijkende ervaring. Het wassen heeft het meeste indruk gemaakt. Tegenwoordig zal het vast niet meer mogen, maar destijds werden de vakantiekrachten ingezet om de ouderen te wassen. Er was trouwens ook toen al een schreeuwend tekort aan personeel, er was altijd te weinig tijd.

De allereerste vrouw die ik waste, leed erg aan alzheimer. Het leek mijn chef daarom een goed idee met haar te beginnen. De vrouw leefde in haar eigen pannekoekenwereld, misschien maakte dat het minder ongemakkelijk. Mensen met alzheimer worden een soort kinderen, zag ik. Deze mevrouw was daar een extreem voorbeeld van, een heel oud kind. Maar wel met seksualiteitsbeleving, zo bleek. Hoe zal ik het zeggen? Ze ging heel speels met dat wassen om.

Als je jong bent, is ouder worden iets engs. Deze mevrouw had niet lang meer te leven, onder de douche zag ik haar huidtumoren. Ik werd letterlijk en figuurlijk met mijn neus op de realiteit van ons bestaan gedrukt. Ineens wordt dan een hoop helder: al die dingen waar je als kind bang voor bent, zoals lichamelijkheid – ik realiseerde me dat ze in het niet vielen bij de dingen waar zij mee te kampen had.

Een andere mevrouw – niet zo frêle en breekbaar als de eerste, maar sterk en onverzettelijk – vond het afschuwelijk dat ik haar moest wassen. Ze had een zwarte, fundamentele woede die ik ook bij anderen zag. Ik denk dat het te maken had met de spagaat tussen hulp nodig hebben en waardigheid. Waar haal je je waardigheid nog vandaan als je afhankelijk bent van anderen?

Het bejaardenhuis was een soort microkosmos, een lagere schoolklas met jaloezie en gepest. Mensen die klaagden dat ze aan tafel niet naast die ene mevrouw wilden zitten, ik vond het bevreemdend.

En dan was er nog het mysterie van de natte gang. Steeds opnieuw lag er een plas water op de gang. Mijn twee collega’s of ik dweilden het op, tien minuten later lag het er weer. Met z’n drieën gingen we staan gluren om een hoekje. We hadden net gedweild, wachtten een minuut of vijf, en jawel, daar ging een deur open. Een trillend handje gooide venijnig een wit bekertje leeg.

Ik geloof dat mijn collega met die mevrouw is gaan praten om haar tot de orde te roepen. Maar ik dacht: ach, zo’n bekertje water. Als dat nou het enige is wat een mens nog teweeg kan brengen – dan haal ik er met alle liefde steeds opnieuw een dweil overheen.”

Leave a Reply