‘Zoveel optredens dat ik maar ben gestopt met school’ – Roos Rebergen

Gepubliceerd in Trouw, 20 juni 2015

De eerste baan maakt vaak diepe indruk. Roos Rebergen (27) begon al meteen met optreden. Vanavond staat ze met haar band Roosbeef in Paradiso, onlangs kwam haar album Kalf uit.

“Mijn ouders hadden een eigen festival bij ons op de boerderij. Ik zag ze dus al vroeg: de groepen mannen of vrouwen die samen rondtrokken, muziek maakten, en daarmee de mensen een goeie avond bezorgden. Als ik dát later zou kunnen doen, dacht ik als achtjarige. Het leek me het ultieme.

Toen ik op mijn vijftiende even geen bandje had, begon ik me zorgen te maken: Ik ben al zo oud, al fucking vijftien, ik moet nu echt een groep beginnen, dacht ik. Ik was daar bloedserieus in.

Ik zette een band op met jongens van school, en een jongen van een dorp verderop, Tim. Hij was al 19, we kregen meteen verkering. We hadden wel die band, maar we traden in het begin altijd met z’n tweeën op – dat was handiger. We gingen met de Suzuki Alto van mijn moeder, daar paste nét zijn drumstel en mijn keyboard in. We speelden waar we terecht konden. In cafés, bibliotheken, festivals – het maakte ons niet uit. Soms speelden we wel vier keer in de week.

Met de band repeteerden we elke zondag in mijn kamer, en later in de koeienstal. De jongens dronken bier, we aten chips. Covers vond ik saai, dus ik schreef mijn eigen liedjes.

Toen ik zeventien was, deden we mee aan de jongerenkunstwedstrijd Kunstbende, en werden eerste in de provincie Gelderland. We wonnen nog meer wedstrijden, en werden daardoor gevraagd voor festivals en poëzieavonden. Ik trad zoveel op, dat ik maar gestopt ben met school. Zat ik daar – nauwelijks ooit een boek gelezen – in de kleedkamer tussen grote schrijvers als Simon Vinkenoog en Harry Mulisch.

Het heeft lang geduurd voor ik het als werk zag. Ik vond het makkelijk geld verdienen: ik speelde wat liedjes, deed een dansje en een grapje en ik had opeens weer 500 euro verdiend. Eigenlijk voelde ik mezelf lui. Mijn broer, die werkte tenminste, ik deed maar wat. Nu weet ik dat het werk niet alleen in dat half uurtje optreden zit, maar zo voelde het wel.

Mijn vader hielp veel met regelen, hij was voor ons een soort manager. Ik maakte vaak ruzie met hem, want ik was stronteigenwijs. Toen ik mijn eerste platencontract kreeg, gingen we samen met de trein naar de platenmaatschappij. We hebben toen in de Muzikantengids van Jan van der Plas nog zitten opzoeken wat licensie-deal precies inhield – we wisten echt van niks.

Later kreeg ik wel een echte manager hoor, en een boeker. Maar doordat we in het begin alles zelf deden, heb ik veel geleerd. Ik heb nu dus ook geen manager meer. Ik weet wat ik wil, ik voel het aan als iets niet klopt.”

Leave a Reply