<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<rss version="2.0"
	xmlns:content="http://purl.org/rss/1.0/modules/content/"
	xmlns:wfw="http://wellformedweb.org/CommentAPI/"
	xmlns:dc="http://purl.org/dc/elements/1.1/"
	xmlns:atom="http://www.w3.org/2005/Atom"
	xmlns:sy="http://purl.org/rss/1.0/modules/syndication/"
	xmlns:slash="http://purl.org/rss/1.0/modules/slash/"
	>

<channel>
	<title>Catrien Spijkerman</title>
	<atom:link href="http://www.catrienspijkerman.nl/wordpress/?feed=rss2" rel="self" type="application/rss+xml" />
	<link>http://www.catrienspijkerman.nl/wordpress</link>
	<description>Freelance journalist</description>
	<lastBuildDate>Thu, 24 Jun 2010 11:57:52 +0000</lastBuildDate>
	<generator>http://wordpress.org/?v=2.8.4</generator>
	<language>en</language>
	<sy:updatePeriod>hourly</sy:updatePeriod>
	<sy:updateFrequency>1</sy:updateFrequency>
			<item>
		<title>De wereld rond in 1460 dagen</title>
		<link>http://www.catrienspijkerman.nl/wordpress/?p=213</link>
		<comments>http://www.catrienspijkerman.nl/wordpress/?p=213#comments</comments>
		<pubDate>Thu, 24 Jun 2010 11:53:24 +0000</pubDate>
		<dc:creator>admin</dc:creator>
				<category><![CDATA[Interviews]]></category>
		<category><![CDATA[crowdfunding]]></category>
		<category><![CDATA[duurzaamheid]]></category>
		<category><![CDATA[iamoneworld]]></category>
		<category><![CDATA[ingrid van den boogaard]]></category>
		<category><![CDATA[linkedin]]></category>
		<category><![CDATA[wereldreis]]></category>
		<category><![CDATA[zonne-energie]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.catrienspijkerman.nl/wordpress/?p=213</guid>
		<description><![CDATA[ 
Gepubliceerd in QPQ, blad over sociaal ondernemen, juni 2010.
Een reis om de wereld in 1460 dagen. Op zonne-energie, in een zelfgemaakt voertuig. Het doel: ontmoetingen, en alles wat daaruit voortkomt. Kunstenares Ingrid van den Boogaard leeft haar droom.
Het begon met een droom. Ingrid van den Boogaard (43) zag in haar slaap hoe zij in [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><strong> </strong></p>
<p><em>Gepubliceerd in QPQ, blad over sociaal ondernemen, juni 2010.</em></p>
<p><strong>Een reis om de wereld in 1460 dagen. Op zonne-energie, in een zelfgemaakt voertuig. Het doel: ontmoetingen, en alles wat daaruit voortkomt. Kunstenares Ingrid van den Boogaard leeft haar droom.</strong></p>
<p>Het begon met een droom. Ingrid van den Boogaard (43) zag in haar slaap hoe zij in een auto op zonne-energie de wereld over reed. Ze ontmoette veel mensen, ze maakte filmpjes, foto’s en mziek – net als in haar dagelijks leven, maar dan onderweg. De droom was echter dan de dag die erop volgde. Sterker nog, de realiteit van de dag verbleekte bij haar droom.</p>
<p>Vier jaar later is het al lang niet meer alleen een droom. Ingrid van den Boogaard vertrekt. In haar zonnemobiel, de eerste en enige ter wereld, een rondje om de aarde. Vijfentwintig kilometer per uur, vier jaar lang, louter op zonne-energie. ‘I am one world’, heeft ze haar onderneming gedoopt. De precieze vertrekdatum is nog onbekend: ze gaat wanneer er zon is, in mei of in juni. Wanneer ze zin heeft. ‘Ik zou een evenement kunnen organiseren, met media-aandacht en mensen die me uitzwaaien, maar dat past niet bij de aard van het project. Het is groot, maar het is kleinschalig. Het is persoonlijk. Ik doe dit niet om in het Guinessbook of Records te komen, het gaat om het proces. Ik wil mensen ontmoeten, en kijken wat daaruit voortkomt. Je kan wel alles gaan plannen en voorbereiden, maar er zijn altijd factoren waar je geen invloed op hebt. Zoals het weer, en het politieke klimaat in het land.’<span id="more-213"></span></p>
<p>Van den Boogaard heeft een route uitgestippeld, maar niets staat echt vast. De reis is namelijk zelf het doel. Één gedachte is daarbij haar <em>leitmotiv</em>:  alles is met elkaar verbonden. ‘Je kunt het zien als een geloof. Het is het idee van het <em>butterfly effect</em>: als een vlinder aan de ene kant van de wereld met zijn vleugels klapwiekt, veroorzaakt dat een tornado aan de andere kant van de wereld. In een soort kettingreactie leidt de ene gebeurtenis tot een andere. Dat besef wil ik in mijn reis uitdragen. Als mensen zich meer zouden realiseren dat alles één is, zouden ze anders in het leven staan. Duurzaamheid is daar een goed voorbeeld van. Als we beseffen dat alles wat we doen van invloed is op mensen, dieren en omgeving, gaan we anders met de zaken om.’</p>
<p><strong>Kracht van mensen</strong><br />
Hoe indrukwekkend haar droom ook was, Van den Boogaard liet hem in eerste instantie liggen. ‘Een half jaar heb ik er niets mee gedaan. Een soort incubatietijd. Om te testen of het later nog steeds zo voelde.’ Na een half jaar ‘rijpen’, kwam ze in actie. Ze vond een zonnepanelenbedrijf in de buurt, en ik praatte met iedereen die het maar horen wilde over haar plan. ‘Als mensen eenmaal enthousiast worden van een idee, is de vervolgstap simpel’, zegt ze. ‘Er is dan altijd een manier waarop ze je kunnen en willen helpen. Ik ga uit van de kracht van mensen. Je kan de helft van je geld besteden om mensen in te huren, maar je kunt ook kijken of je mensen bereid vindt je te helpen.’ De lange lijst van meer dan zestig namen van ‘co-creaters’ op haar website, getuigt hiervan.</p>
<p>Bregje Paulussen (37) staat ook in die lijst. Ze hoorde Van den Boogaard op een borrel vertellen over haar project. ‘Ik bood meteen aan te helpen’, zegt Paulussen. ‘Ik ben dol op dit soort wilde plannen. Welke gek gaat nou zoiets uitvoeren?, dacht ik. Ik vond het meteen fantastisch.’ Wekenlang hielp Paulussen met schuren in de werkplaats, vijf kilo viel ze ervan af. ‘Ik help met alles wat langskomt. Ingrid bespreekt veel met mij, het is een groot project, dan is het goed dat ze af en toe haar verhaal kan doen.’</p>
<p><strong> </strong></p>
<p>Timing is heel belangrijk, verzekert Van den Boogaard. De juiste personen op het juiste moment tegenkomen, het gevoel dat alles op zijn plaats valt – dan zit je goed. ‘Ik hield een presentatie in Den Bosch over mijn project. Het was in de fase dat het mobiel nog bijna helemaal gebouwd moest worden. Na afloop stapte iemand uit het publiek naar me toe en zei: ik ken iemand die jou heel goed zou kunnen helpen. Als hij wil, zal ik de reiskosten betalen.’</p>
<p>Die ‘iemand’ was Hein Hendriks (69), en hij wilde. Toen hij kwam, stond er alleen een buizenframe in de werkplaats. Toen hij ging, was het hele mechanische gedeelte van de wagen geassembleerd. ‘Er zitten zeventien accu’s in die wagen, die moesten allemaal een plaats krijgen’, legt Hendriks uit. ‘Ik heb rekjes gemaakt waar ze in zitten, en ook de twaalf zonnepanelen heb ik een plaats gegeven. Ik heb altijd in de metaalsector gewerkt, dus ik heb een technische achtergrond.’ Met nadruk: ‘Dit zonnemobiel is geen productiemodel, hè. Het is een <em>prototype</em>, we moesten veel zelf uitvinden. Een prachtig project.’</p>
<p><strong>Loslaten</strong><br />
Hendriks was precies wie Van den Boogaard nodig had, en hij kwam zomaar op het juiste moment uit de lucht vallen. Een goed voorbeeld van hoe alles met elkaar verbonden is, meent Van den Boogaard. ‘Dat kun je niet voorzien, je moet erop leren vertrouwen.’ Maar dat is soms makkelijker gezegd dan gedaan. ‘Er zijn heus tegenslagen geweest. Door de economische crisis in 2008 werden er ineens lange tijd geen onderdelen meer geleverd. Aangezien dit voertuig het eerste en enige ter wereld is, konden we niet zomaar overal onderdelen vandaan halen. We importeerden ze uit een fabriek in Italië. Daar was de helft van de werknemers door de economische malaise ontslagen. We hebben veel vertraging opgelopen, eigenlijk wilde ik een jaar eerder vertrekken.’</p>
<p>Van den Boogaard heeft goed leren ‘loslaten’, zegt ze. ‘Ik ben trouw gebleven aan de essentie van mijn droom, maar al het andere heb ik laten varen. Ik had ideeën over hoe het proces zich zou voltrekken, wie zouden helpen, en wanneer het ongeveer klaar zou zijn. Het verloopt altijd anders. Er waren momenten dat ik het helemaal niet meer zag zitten – die zullen er nog wel meer komen. Maar dat is nodig om doorzettingsvermogen te kweken.’</p>
<p>‘Ik zoek regelmatig de grenzen van mijn comfortzone op. Daarmee daag ik mijn vertrouwen uit.’ Wil ze met haar reis het lot tarten? Wat nu als haar voertuig er bijvoorbeeld midden in de woestijn mee ophoudt? ‘Dan zou ik onderzoeken of je dat kan oplossen met de verbondenheid tussen mensen’, zegt ze triomfantelijk. ‘Ik zou bijvoorbeeld een twitterbericht kunnen sturen, wie weet is er wel een technisch persoon die meteen weet waar het probleem zit.’ Van den Boogaard is niet bang. Ze vertrouwt op haar intuïtie en de goedheid van de mens. Dat deed ze ook tijdens eerdere reizen, toen ze waarschuwingen in de wind sloeg, en van de ene naar de andere plek liftte. Het ging altijd goed. Wat er ook gebeurt, het hoort bij de reis.</p>
<p><strong>Virtueel verbonden</strong><br />
‘Verbondenheid via internet is een heel belangrijk onderdeel van mijn project. Aan de ene kant ben ik heel erg aan plaats en tijd gebonden: ik rijd alleen als er zon is, en ga ook nog eens heel langzaam. Aan de andere kant ben ik virtueel verbonden met de rest van de wereld. Ik kan raad vragen, en mijn ervaringen delen. Via twitter, mijn blog en een ezine hou ik iedereen op de hoogte.’</p>
<p>Wietse Veenstra (27) helpt haar daarbij. Hij is één van haar zogenaamde <em>nerds of the nord, </em>studenten van de hogeschool in Leeuwarden die Van den Boogaard vroeg haar te helpen bij het opzetten van een website. Inmiddels is Veenstra afgestudeerd, en heeft hij een eigen bedrijfje als webdeveloper, maar nog steeds steekt hij ‘af en toe en paar uurtjes’ in Van den Boogaards project. ‘Ik heb een webapplicatie ontworpen, waarmee Ingrid op een landkaart kan laten zien welke route ze al heeft afgelegd. De plaatsen waar ze iets heeft gemaakt, een filmpje of muziek, kan ze linken aan dat punt op de kaart. Die applicatie wil ik als mijn eigen product gaan lanceren, ik test hem uit op Ingrid.’</p>
<p>Net als Hendriks, stuurt Veenstra Van den Boogaard geen facturen. ‘Ik vind het een nobel idee, mensen over de hele wereld met elkaar in verbinding brengen’, zegt hij. ‘Bovendien hou ik er zelf ook wat aan over: ik draai mijn pilot, en ik ontmoet interessante nieuwe mensen, dat leidt soms tot nieuwe opdrachten voor mijn bedrijf.’ In het begin vond Veenstra Van den Boogaard wel ‘een beetje zweverig’.’Ik ben zelf een nuchtere Fries, ik kijk anders tegen dingen aan. Maar ik heb altijd vertrouwen gehad in het project, Ingrid weet heel goed waar ze mee bezig is.’</p>
<p><strong>Wapenfeit</strong><br />
Er zullen vast mensen in haar omgeving zijn geweest die dachten dat het een bevlieging was, die dachten dat het voertuig, noch de reis er ooit zouden komen, zegt Van den Boogaard. Ze is het wel gewend. ‘Ik ben kunstenares, het gebeurt vaker dat ik een beeld voor ogen heb dat voor anderen nog heel abstract is. Pas wanneer het is omgezet naar iets tastbaars, wordt het voor hen concreet. Het voertuig is een wapenfeit, daar kan niemand omheen.’</p>
<p>Dat blijkt al tijdens de proefritten door Brabant. ‘Ik rijd in een raar, langzaam karretje rond met een caravan erachter. Dat trekt bekijks, mensen willen er alles over weten. Zo kom je makkelijk in contact.’ Met die ontmoetingen zit het dus wel goed. ‘Desnoods stuur ik een twitterbericht: “Ik zit nu daar en daar, heeft er iemand zin om koffie te komen drinken? En neem je instrument mee.” Wie weet wat er dan op mijn pad komt.’</p>
<p><strong> </strong></p>
<p><strong> </strong></p>
<p><strong> </strong></p>
<p><strong> </strong></p>
<p><strong>Financiering</strong><strong><br />
Oké, je besluit je droom na te jagen. Je volgt je intuïtie, je vertrouwt op de goedheid van mensen. Maar je hebt óók geld nodig. Van den Boogaard zocht het in eerste instantie bij de welbekende partijen: ze struinde banken en grote bedrijven af, op zoek naar sponsors en investeerders. ‘Dat voelde niet goed. Het past niet bij het persoonlijke en kleinschalige karakter van het project. Ik wilde niet in een auto gaan rijden met grote logo’s erop.’ Dat kon anders, meende Van den Boogaard. Het moest toch ook mogelijk zijn zonder enorme subsidies en sponsorcontracten een droom te realiseren? Ze vond haar heil bij c<em>rowdfunding</em>: niet een grote partij met een zak geld, maar heel veel mensen die allemaal kleine beetjes bijdragen.</strong><strong><br />
</strong></p>
<p><strong>Van den Boogaard verzon een aandelensysteem: geinteresseerden kunnen letterlijk een aandeel hebben in het project, door een ‘share’ te kopen. Geen marktaandeel, maar een belevingsaandeel. Waarom zouden mensen dat doen? ‘Omdat ze zich kunnen vinden in het project, en het belangrijk vinden dat een goed idee werkelijkheid wordt.’ Shareholders mogen een kunstwerk uitkiezen, dat kunstenaars ter beschikking van het project hebben gesteld. Bovendien kunnen ze hun naam op het voertuig schrijven. ‘Ik ga rondrijden in een mobiel zonder logo’s, maar met namen van echte mensen.’<br />
</strong></p>
<p><strong> </strong><strong>Alle hulp en bijdragen komen voort uit ontmoetingen en menselijk contact, zegt Van den Boogaard. ‘Zelfs subsidie heb ik op die manier gekregen. Ik heb daar nooit aanvragen voor gedaan. Ik sprak een keer met een vrouw die in die subsidiewereld werkt. Zij vond mijn project zó bijzonder, dat ze zelf is gaan regelen dat er subsidie kwam.’<br />
</strong></p>
<p><strong>Van den Boogaard heeft meerdere manieren om aan geld te komen. ‘Ik noem het een hybride model. Een deel komt uit <em>crowdfunding</em>, een deel uit sponsoring, subsidie en donaties, en een groot deel uit de verkoop van mijn werk.’ Van den Boogaard bedruipt zichzelf al jaren als muzikant en filmmaakster, en gaat dat ook de komende vier jaren onderweg doen. Een paar grote projecten staan al op de planning. Zo gaat ze voor de provincie Brabant films en foto’s maken over duurzaamheid, om te helpen de Babantse stedenregio te profileren om in 2018 Culturele Hoofdstad te worden. </strong></p>
<p><strong> </strong></p>
<p><strong>Ook is ze bezig met een project om bibliotheken wereldwijd te verbinden, <em>iamonelibrary</em>. ‘Tijdens mijn reis maak ik portretten van bibliotheken, van Groenland, tot Santiago, tot Japan. Hoe zien de bibliotheken er uit, welke mensen komen er, hoe is de sfeer? Die foto’s en filmpjes zullen worden tentoongesteld in andere bibliotheken over de wereld, onder meer in de bibliotheek van Den Bosch.’ Op dezelfde manier wil Van den Boogaard ook andere projecten opzetten, zoals <em>iamoneschool</em>. ‘En ik kan natuurlijk ook onderweg opdrachten verzamelen en werk verkopen.’ </strong></p>
<p><strong> </strong></p>
<p><strong>Een financieel overzicht heeft ze niet. ‘Geen idee hoeveel het tot nu toe gekost heeft, welk deel wordt betaald door <em>crowdfunding</em>, en hoeveel geld nog nodig is. Ik ga het nog wel op een rijtje zetten, maar dat vind ik nu niet het belangrijkste.’ Het is tekenend voor de manier waarop ze te werk gaat, zegt ze. ‘Ik begin niet door te zeggen: ik wil dit, dan heb ik een miljoen nodig. Ik draai het om. Dit zijn de middelen op dit moment, dat betekent dat ik dat en dat kan realiseren. Het is een organisch proces, dingen hebben hun eigen ritme. Wanneer er energie vrijkomt in de vorm van mensen, materialen of geld, dan kun je weer verder.’ </strong></p>
<p><strong> </strong></p>
<p><em>Op <a href="http://www.iamoneworld.com/">www.iamoneworld.com</a> kun je de reis van Ingrid van den Boogaard volgen, shareholder worden of je opgeven voor het ezine. Bij aanmelding ontvang je het gratis e-book ‘De bouw van de zonne-mobiel’. </em></p>
<p><em> </em></p>
<p><strong> </strong></p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.catrienspijkerman.nl/wordpress/?feed=rss2&amp;p=213</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Een kans op de kermis</title>
		<link>http://www.catrienspijkerman.nl/wordpress/?p=211</link>
		<comments>http://www.catrienspijkerman.nl/wordpress/?p=211#comments</comments>
		<pubDate>Thu, 24 Jun 2010 11:35:48 +0000</pubDate>
		<dc:creator>admin</dc:creator>
				<category><![CDATA[Reportages]]></category>
		<category><![CDATA[arbeidsmarkt]]></category>
		<category><![CDATA[Frans Stuy]]></category>
		<category><![CDATA[kansarme jongeren]]></category>
		<category><![CDATA[kermis]]></category>
		<category><![CDATA[linkedin]]></category>
		<category><![CDATA[sociaal ondernemen]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.catrienspijkerman.nl/wordpress/?p=211</guid>
		<description><![CDATA[Gepubliceerd in QPQ, blad over sociaal ondernemen, juni 2010
De Amsterdamse kermisbaas Frans Stuy biedt kansarme jongeren een baantje op de kermis. Zo veroorzaken ze geen overlast meer, én ze hebben wat te doen. ‘Moeten ze dan voor altijd op straat hangen? Als je ze geen kans geeft, worden het beesten.’ 
In groepjes hingen ze rond. [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><em>Gepubliceerd in QPQ, blad over sociaal ondernemen, juni 2010</em></p>
<p><strong>De Amsterdamse kermisbaas Frans Stuy biedt kansarme jongeren een baantje op de kermis. Zo veroorzaken ze geen overlast meer, én ze hebben wat te doen. ‘Moeten ze dan voor altijd op straat hangen? Als je ze geen kans geeft, worden het beesten.’ </strong></p>
<p>In groepjes hingen ze rond. Ze blowden wat, ze dronken wat, ze vochten, ze jatten hier en daar, en af en toe vernielden ze een attractie. Zo is het begonnen: kermisbaas Frans Stuy (49) uit Osdorp had last van de jongeren die op zijn kermis hingen. ‘Ik heb met de politie gepraat, met imams, met Marokkaanse buurtvaders, en met de jongeren zelf’, vertelt Stuy. De oplossing was even simpel als logisch, vond hij. Voortaan gingen diezelfde jongeren die hem overlast brachten, voor hem werken. <span id="more-211"></span></p>
<p>Ruim twintig jongens heeft hij in dienst, ze reizen met de kermis mee van het ene Amsterdamse stadsdeel naar het volgende. Nog eens veertig jongens werken voor hem wanneer de kermis in hun eigen buurt staat. Zo hebben de jongens wat om handen, en ze verdienen er zo’n acht euro per uur mee. Stuy doet het nu al bijna tien jaar zo. ‘De politie hoeft hier zelden te komen’, verzekert hij, terwijl hij statig over het terrein stapt. Netjes in pak, zijn lange haren in een paardestaart, onafscheidelijk van zijn sigaar.‘Wij lossen alles zelf op.’</p>
<p>Juist de allergrootste etterbak van een groepje rondhangende jongens biedt Stuy een baantje aan, vertelt Sliman Frindi (39), een brede spierbundel met lieve ogen. Frindi werkt al acht jaar voor Stuy. Hij is hoofd toezichthouder en begeleidt de jongens in hun werk. ‘Die etterbak weet ik er meteen uit te pikken. Tegen die oproerkraaier zeg ik: ‘Heb je niks beters te doen ofzo? In plaats van hier te staan niksen en geld kwijt te raken, kan je bij ons geld verdienen.’ De rest van de groep denkt: hee, hij heeft een leuk baantje, en geld. Die andere jongens gaan dus hun best doen om hier in een goed blaadje te komen, zodat ze misschien ook mogen werken.’</p>
<p><strong>Iets nuttigs doen geeft voldoening</strong><br />
Bij de botsautootjes loopt Mohammed Beija (18) kalm de baan op. Het gekrijs van de jonge meisjes en het agressieve rijgedrag van de vaders deert hem niet: hij is hier de baas. Nonchalant springt hij achterop de rubberen bumper van een autootje van een klein jongetje dat zich heeft klemgereden. Behendigd stuurt hij de auto weer de baan op. Met grote ogen kijkt het jongetje naar hem op. Mohammed houdt van de kermis. ‘De lichten, de muziek, de chickies. De hele sfeer is goed.’ Hij werkt al twee jaar voor Stuy. Twee jaar geleden vulde hij zijn dagen met niksen. ‘Je weet toch, een beetje hangen enzo.’ Hij heeft geen diploma, want tijdens een stage in de horeca ging het mis. ‘Toen ben ik maar niet meer naar school gegaan, het was toch niks voor mij.’</p>
<p>De aanpak van Stuy werpt niet alleen voor de kermis zijn vruchten af. Een baantje op de kermis heeft ook op de jongeren een goede invloed. Stuy: ‘Ik zie ze groeien. Ze leren wat werken is, ik zorg ervoor dat ze aan het einde van de dag niets meer kunnen, alleen nog op de bank ploffen. Dat geeft je voldoening hoor, als je iets nuttigs hebt gedaan. Regelmatig kom ik ouders tegen, ze zeggen dat ik hun zoon gered heb.’</p>
<p>Werken maakt gelukkig, blijkt ook uit wetenschappelijk onderzoek. Professor arbeidspsychologie aan de Rotterdamse Erasmusuniversiteit Arnold Bakker roept het al jaren: van niets doen ga je je miserabel voelen, de dagen worden leeg. Werk geeft daarentegen structuur en doel aan het leven, blijkt uit zijn onderzoek. Het betekent ontplooing, sociale contacten, en zingeving. Ook ‘geluksprofessor’ Ruut Veenhoven van de Erasmusuniversiteit deed dergelijke conclusies: er is een sterk verband tussen levensgeluk en ‘actief zijn’. Drie keer sterker overigens dan levensgeluk en geld.</p>
<p><strong>Vrijheid en verantwoordelijkheid</strong><br />
Frindi weet er alles van. ‘Ik kan wel zeggen dat ik gelukkiger ben sinds ik hier werk, ja. Ik heb in ieder geval een doel.’ Frindi was zelf ‘ook zo iemand die ze nergens kwijt konden’, zegt hij. ‘Geen diploma en een slecht verleden. Geen verklaring van goed gedrag, laten we het daar op houden. Via de sociale dienst probeerden ze me wel in allerlei baantjes te stoppen, maar ik verzon altijd weer een excuus.’ Toen hij Bij Stuy terecht kwam, dacht hij dat hij ook daar wel weer onderuit zou komen. ‘Ik had vantevoren mijn smoezen al bedacht: dat mijn rug het niet aan kon ofzo.’ Maar Frindi bleef.</p>
<p>‘Het was zwaar werk, maar hier lieten ze me tenminste met rust’, zegt hij. ‘Frans zeurt niet. Ik mocht zelf mijn tijd indelen, als het werk maar gedaan was. Er zat een soort vrijheid in die me aanstond. Als ik een keer niet kon komen, ruilde ik mijn dienst met een ander. Frans wilde het niet eens horen. ‘Zoek het zelf maar uit’, zei hij dan. Ik kreeg verantwoordelijkheid. En vertrouwen. Dat was me nog nooit overkomen. Bovendien is het werk gevarieerd. Van negen tot vijf, dat is niets voor mij. Met de kermis kom je steeds in een andere buurt, met een ander publiek. Het is niet saai, er gebeurt altijd wat.’</p>
<p>Duidelijkheid en respect zijn de belangrijkste ingrediënten van Stuys aanpak. ‘Je weet wat er van je verwacht wordt, en afspraak is afspraak’, zegt Stuy. ‘Als je je daar niet aan houdt: ook goed, maar dan weet je dat je wordt aangepakt.’ Toch houdt Stuy de touwtjes niet strak, zegt Frindi. ‘Hij stimuleert op een vrije manier. Als iemand niet komt opdagen gaat ie niet opbellen “godverdomme je bent te laat, je hoeft niet meer terug te komen”. Nee, hij zegt: “waar ben je, je zou toch werken?” Je krijgt er een schuldgevoel van. Maar hij laat het je wel voelen hoor, de volgende keer mag je dan het zware werk doen. Dan denk je: shit, nu betaal ik ervoor terug. Hij laat je gaan en trekt je terug.’</p>
<p>‘Je moet die jongens ook leren nadenken’, zegt Stuy. ‘Als we vroeg beginnen met opbouwen, bel ik om acht uur ’s ochtends alle jongens waarvan ik weet dat ze niet goed op tijd kunnen komen. ‘Ben je al wakker?’ Je moet ze een beetje opvoeden.’ Zelf groeide hij ook op de kermis op. ‘Maar ik had een vader die me constant in de gaten hield. Ik kreeg echt niet de kans om iets te jatten. Dan had hij m’n oren eraf getrokken. Als ik hem niet had gehad, had ik waarschijnlijk ook veel stomme dingen gedaan.’</p>
<p><strong>Jongens met een ‘vlekje’</strong><br />
Critici van Stuys aanpak zeggen dat hij criminelen gedrag beloont met een baan. Een derde van zijn werknemers zou een strafblad hebben. Stuy zelf bevestigt dat hij jongens in dienst heeft met een ‘vlekje’, zoals hij de criminele smet op hun verleden noemt. ‘Maar als ik merk dat ze fout bezig zijn, trap ik ze eruit. Zo had ik een jongen met een wietplantage. Toen ik daarachter kwam, heb ik hem zelf aangegeven. Ik ga mijn reputatie niet voor dat soort figuren op het spel zetten. Negen maanden heeft hij gezeten. Toen hij vrijkwam heeft hij hier staan huilen. Ik heb hem nog een kans gegeven. Wat moet ik doen? Als ze hun straf hebben uitgezeten, moeten ze dan voor altijd op straat hangen? Als je ze geen kans geeft, gaat het van kwaad tot erger. Dan worden het beesten. Dat moet je tegenhouden.’</p>
<p>Yamel El Mabrouk (21) kreeg zo’n kans. ‘Wel vijftig sollicitaties had ik gedaan. Supermarkten, schoenenwinkels, café’s, niemand wilde me. Soms was mijn strafblad de reden, soms kwam het denk ik doordat ik Marokkaan ben’, zegt hij. Die achtergrond komt in zijn huidige baan juist goed van pas. Op de kermis werkt hij als ‘beveiliger’. ‘Rondlopen en jongens aanspreken, soms bij een vechtpartijtje ertussen springen’, omschrijft hij zijn werkzaamheden. ‘Als je echte beveiligers neerzet, van die ingehuurde mannen in het zwart met een V’tje op hun borst, dan krijg je pas echt problemen. Die lopen met opgeheven hoofd belangrijk te doen, dat leidt tot weerstand. Zij spreken die jongens niet aan zoals ik. Ik kan dat beter, want ik ben één van hen. Ik ben zelf ook een straatjongen, voor mij hebben die jongens respect.’</p>
<p><strong>Steeds weer bewijzen</strong><br />
Yamel is een goede werknemer, vindt Stuy. ‘Je moet natuurlijk niet alleen kansarm zijn om voor mij te werken, je moet wel wat kunnen’, zegt hij. Het stoort hem dat zijn werkwijze in eerste instantie zo argwanend bekeken wordt. ‘Ik moet constant vechten voor mijn zaak, steeds weer bewijzen dat het werkt. Mensen zijn bang voor dit concept.’ In Amsterdam heeft hij zich na jaren wel bewezen: drie keer werd hij Amsterdammer van het jaar, politici als Achmed Marchouch en Job Cohen lopen met hem weg.  Maar toen hij vorige zomer met het idee naar Rotterdam kwam, stond die hele stad op zijn kop. ‘Ik werd daar echt behandeld alsof ik van een andere planeet kwam. Hoe haalde ik het in mijn hoofd om met die jongens te gaan werken!’</p>
<p>Langzaam maar zeker won hij het vertrouwen van Dominic Schrijer, destijds als wethouder onder meer verantwoordelijk voor werkgelegenheid, sociale zaken en het grote steden beleid, en de kermis werd ook in Rotterdam een succes. ‘Tien dagen lang werkten 110 van die jongens voor mij. Voor het begon kwam een Rotterdamse politie-agent naar me toe. Hij zei: “Als het goed gaat, mag je volgend jaar terugkomen. Zo niet, dan trap ik je persoonlijk terug dat 020 in.” Na tien dagen kwam hij terug: “Tot volgend jaar.” In Rotterdam wordt de werkwijze in de toekomst ook bij andere grote evenementen ingezet.</p>
<p><strong>Pretpark</strong><br />
Jammer dat het allemaal maar tijdelijk is, vindt Stuy. ‘De kermis is er alleen in de zomer, en dan nog is het aantal plaatsen beperkt.’ Hij loopt al jaren rond met plannen om een pretpark op te zetten in Amsterdam. Net als zijn kermis, wordt ook het pretpark een commercieel bedrijf. Voor de werkplekken die hij de kansarme jongeren biedt, krijgt hij namelijk geen subsidie. Het pretpark zou 1500 tot 2000 permanente werkplekken creeëren. Stuy is hard op zoek naar een locatie. Zijn oog is gevallen op stadsdeel Noord. ‘Er zit schot in de zaak. Ik heb inmiddels goede contacten met de stadsdeelvoorzitter daar.’ De stadsdeelvoorzitter zelf wil nog niet op de plannen ingaan: ‘De gesprekken moeten nog beginnen.’</p>
<p>Tot dat pretpark er is, zal Stuy de gemeente en buurtregisseurs nog vaak moeten teleurstellen. De Dienst Werk en Inkomen van Amsterdam weet hem inmiddels goed te vinden. ‘Ze bellen dagelijks of ze niet wat jongens bij me kwijt kunnen, maar ik zit vol.’ Zonde vindt hij, want het is inmiddels een persoonlijke missie geworden juist die jongens onder zijn hoede te nemen  die nergens anders willen ‘lukken’. ‘Ik kom nooit meer van ze af’, zegt hij met een scheef lachje, terwijl hij knikt naar de horde jongetjes die altijd om hem heen zwerf. Ze hebben petjes en sigaretjes, en allemaal willen ze voor hem werken. ‘Ze kosten me heel wat aspirines hoor’, zegt hij cynisch. Maar zijn ogen twinkelen.</p>
<p><strong>Maatschappelijke impact<br />
Door de jongens voor hem te laten werken, heeft Frans Stuy op zijn kermis nauwelijks nog last van hangjongeren die rotzooi trappen en bezoekers afschrikken. Goed voor zijn bedrijf, en goed voor de jongens die nu wat om handen hebben en geld verdienen. Wat levert deze aanpak nog meer op? Bedrijfseconoom Peter Scholten introduceerde in Nederland de Social Return on Investment (SROI) methodiek, die de maatschappelijke impact van een onderneming meet.<br />
</strong><br />
<strong>De kermis van Stuy zou zich goed lenen voor een SROI-analyse, zegt Scholten. Daar is uitgebreid onderzoek voor nodig, maar Scholten kan wel wat voorzetten geven. De maatschappelijke opbrengst bestaat uit twee delen, zegt hij. ‘Ten eerste levert het kostenbesparing voor de maatschappij op. Minder overlast betekent minder politiekosten, en jongeren die een baan hebben, hoeven geen uitkering te krijgen. Als ze door hun werk uit de criminaliteit worden gehouden, scheelt dat ook veel maatschappelijke kosten.’<br />
Het is hierbij wel belangrijk te bepalen over welke termijn we het hebben, zegt Scholten. ‘Een tijdelijk baantje voor een paar uur in de week heeft natuurlijk andere impact dan een vaste baan met toekomstperspectief’. Bovendien bepaalt ook het doel van de onderneming de analyse. ‘Wil Stuy puur uit eigenbelang alleen zijn eigen overlast bestrijden, of is er überhaupt minder overlast in de wijken doordat de jongens voor hem werken?’<br />
Het tweede deel van de maatschappelijke opbrengst bestaat volgens Scholten uit persoonlijke winst voor de jongeren. ‘Doordat ze een baan hebben, krijgen ze wellicht meer zelfvertrouwen en een beter zelfbeeld. Ze raken meer betrokken bij de maatschappij en krijgen verantwoordelijkheid. Misschien leidt hun werkervaring ertoe dat ze meer perspectief hebben op een volgende baan. Het is hiervoor ook belangrijk te bepalen hoeveel ze leren tijdens hun werk.’ Botsautootjes aan de kant zetten is immers wat anders dan praktijkervaring opdoen als toezichthouder.<br />
</strong></p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.catrienspijkerman.nl/wordpress/?feed=rss2&amp;p=211</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>&#8216;Online hulpverlening nog steeds in kinderschoenen&#8217;</title>
		<link>http://www.catrienspijkerman.nl/wordpress/?p=215</link>
		<comments>http://www.catrienspijkerman.nl/wordpress/?p=215#comments</comments>
		<pubDate>Thu, 24 Jun 2010 10:00:19 +0000</pubDate>
		<dc:creator>admin</dc:creator>
				<category><![CDATA[Interviews]]></category>
		<category><![CDATA[e-hulp]]></category>
		<category><![CDATA[frank schalken]]></category>
		<category><![CDATA[GGZ]]></category>
		<category><![CDATA[innovatie]]></category>
		<category><![CDATA[linkedin]]></category>
		<category><![CDATA[online hulp]]></category>
		<category><![CDATA[psychiatrie]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.catrienspijkerman.nl/wordpress/?p=215</guid>
		<description><![CDATA[Gepubliceerd in Psy, juli 2010. Klik hier voor het artikel bij Psy.
Frank Schalken weet het al ruim tien jaar: online hulpverlening biedt enorm veel kansen voor de GGZ.  De mogelijkheden worden echter nog onvoldoende benut. Als een klein kind kan hij zich erover verbazen. ‘Veel online hulpwebsites zijn als een trap waar de eerste drie [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><em>Gepubliceerd in Psy, juli 2010. Klik <a href="http://www.psy.nl/fileadmin/files/psyarchief/Files_2010/Interview_Frank_Schalken.pdf">hier</a> voor het artikel bij Psy</em>.</p>
<p><strong>Frank Schalken weet het al ruim tien jaar: online hulpverlening biedt enorm veel kansen voor de GGZ.  De mogelijkheden worden echter nog onvoldoende benut. Als een klein kind kan hij zich erover verbazen. ‘Veel online hulpwebsites zijn als een trap waar de eerste drie treden ontbreken.’</strong></p>
<p>Het gebeurt Frank Schalken (39) zo vaak. Wat voor hem vanzelfsprekend is, blijkt voor de buitenwereld onlogisch. Een paar jaar geleden las hij in het <em>Parool</em>: ‘Allochtone jongeren maken weinig gebruik van psychische hulpverlening. Ze schamen zich te veel om over hun problemen te praten’. ‘Goh’, dacht Schalken, ‘die jongeren zijn wél heel actief op internet. Daar hebben ze juist helemaal geen last van die schaamte. Op sites als marokko.nl discussiëren jongeren heel openlijk over persoonlijke problemen’.</p>
<p>Dus bedacht Schalken twee jaar geleden hulpmix.nl, een website waar allochtone jongeren tot en met twintig jaar terechtkunnen met hun problemen en kunnen chatten met een hulpverlener. Hij kijkt vragend: ‘Logisch toch? Maar niemand had dat nog bedacht.’ Schalken is lang en opvallend kwiek. Zo iemand die niets ontgaat, iemand die altijd weet waar hij mee bezig is – die indruk maakt hij althans.<span id="more-215"></span></p>
<p>Hulpmix werd een succes. In twee jaar tijd had de site meer dan 200.000 bezoekers en 4000 hulpvragen via mail of chat. Schalken, oorspronkelijk opgeleid in marketing en management, is inmiddels uitgegroeid tot dé expert in online hulpverlening. Al meer dan tien jaar is hij bezig met digitale hulpverlening. Veel van wat hij doet, lijkt te worden gedreven door verbazing.</p>
<p>Het begon bij de Kindertelefoon, waar hij één dag per week als vrijwillige telefonist werkte. In het dagelijks leven was hij toen nog ‘gewoon’ organisatieadviseur. Toen steeds meer kinderen e-mailtjes gingen sturen naar de Kindertelefoon, zette hij een chatfunctie op die in 2003 werd gelanceerd. Er werd meteen gretig gebruik van gemaakt. Het was één van de eerste initiatieven van online hulp.</p>
<p>Tegenwoordig is Schalken directeur van Stichting e-hulp.nl, een kenniscentrum dat instellingen adviseert hoe ze online hulp kunnen opzetten en uitvoeren. Vorige maand bracht hij samen met anderen Handboek Online Hulpverlening, het eerste handboek over dit onderwerp.</p>
<p><strong>Online hulpverlening bestaat nu al ruim tien jaar. Toch staan er in uw handboek heel basale zaken, zoals het hebben van een e-mailadres. Staat online hulpverlening nog in de kinderschoenen?</strong><br />
‘Er is een klein groepje koplopers, voor hen is het allemaal gesneden koek. Stichting Korrelatie, Humanitas, en de Kindertelefoon bieden al jaren hulp op internet. Ook de website interapy.nl van professor Alfred Lange heeft al tien jaar online behandelingen. Dit zijn de pioniers, maar online hulp in de psychiatrie en verslavingszorg staar nog erg in de kinderschoenen.</p>
<p>&#8216;Eigenlijk is het van de zotte. In de reguliere ggz gaat de cliënt naar de hulpverlener voor een gesprek, bijvoorbeeld omdat hij angstklachten heeft. Er gaat een tijdje overheen, en dan heeft hij weer gesprek. Waarom gebeurt er niets in de tussentijd? Je zou de cliënt via internet een dagboek kunnen laten bijhouden waarin hij opschrijft wanneer hij klachten heeft. Stel dat de cliënt vertelt over een bijeenkomst op zijn werk waar hij bang voor is. Op de volgende afspraak met de hulpverlener bespreekt hij hoe het is gegaan. Is het niet veel effectiever als de hulpverlener vlak voor die bijeenkomst nog even mailt? Sorry dat ik me zo opwind, maar ik ben gewoon verbaasd dat het nog niet standaard is.’</p>
<p><strong>Toch komen steeds meer ggz-instellingen met online initiatieven, zoals een online agressiecursus, en depressiebehandelingen. Wat vindt u van die initiatieven?</strong><br />
‘Binnen de ggz is iedereen zó met zijn eigen werk bezig, dat men soms niet lijkt te zien wat er ondertussen nog allemaal buiten de branche gebeurt en mogelijk is. Het online ggz-aanbod is vaak een kopie van het face- to-face-aanbod. De instellingen zijn nog te veel gefocust op een behandeling. Daarmee werpen ze onbewust een grote drempel op. Mensen zijn meestal helemaal niet uit op een behandeling, ze willen in eerste instantie gewoon wat rondkijken.</p>
<p>&#8216;Ggz-instellingen moeten daarom ten eerste zorgen dat ze vindbaar zijn op internet. Als iemand “somber”of “slaapproblemen” googlet, moet hij op een site van een ggz-instelling belanden. Hun site moet zo zijn ingericht dat de hulpvragers zich er in eerste instantie kunnen oriënteren. Bijvoorbeeld door toegankelijke informatie te plaatsen over somberheid, tips om ermee om te gaan en ervaringen van anderen. De site moet betrouwbaar en deskundig overkomen. Slaagt een  instelling daar niet in, dan zijn hulpvragers ook niet geneigd een mail te sturen naar één van de hulpverleners. Als ze bijvoorbeeld meteen “behandeling depressiviteit, klik hier” tegenkomen, dan denken ze: ho ho, zo erg is het nou ook weer niet. De behandeling moet het sluitstuk zijn, niet het doel.’</p>
<p><strong>Ggzinstellingen die online hulp bieden, blijven te veel in hun eigen denkkader hangen?</strong><br />
‘Ja. Een meisje met een eetprobleem wordt niet aangetrokken door termen als “binge eating”. Nee, ze typt in: ‘dik’ of ‘lelijk’. Gisteren las ik op een ggz-hulp website “bipolaire stoornis” en “ptss”. Dan word ik helemaal gek. Alsof iemand ineens bedenkt: dát heb ik! Die termen zeggen niemand wat.</p>
<p>&#8216;Mensen zijn steeds meer zelf aan het dokteren, ze zoeken alles op internet op. De oude traditie van de huisarts die zegt: “ga jij maar eens naar een instelling toe”, verdwijnt langzaam. Steeds minder vaak zullen cliënten via een reguliere verwijzer binnenkomen. Ggz-instellingen zijn zich daar nog niet voldoende van bewust, ze gaan er vanuit dat de cliënten tóch wel komen. Maar als ze geen goede website hebben, worden ze gewoon afgestraft, want dan komen er steeds minder mensen. Veel online hulpsites zijn als een trap waar de eerste drie treden missen. Mensen moet in een keer een enorme stap maken, omdat de oriëntatie op de site vaak ontbreekt.’</p>
<p><strong>Hulpmix bereikt duizenden jongeren per week, daarvan is drie kwart allochtoon. Het publiek bekroonde de site bovendien met de Nationale Jeugdzorgprijs 2009. Wat is de kracht van hulpmix?</strong><br />
‘De site sluit precies aan bij de leefwereld van die jongeren. We werken samen met de sites marokko.nl en habbabam.nl, dat zijn plekken waar de doelgroep al komt. Marokko.nl wordt door 75 procent van de Marokkaanse jongeren wel eens bezocht. Ik kom oorspronkelijk uit de marketingsector, ik ben gewend om er op deze manier naar te kijken. Je moet bedenken: waar zitten de mensen die ik wil bereiken? Wat vinden ze belangrijk?</p>
<p>&#8216;Internet is perfect voor dit soort hulpverlening. Door de anonimiteit creëer je een afstand waardoor mensen zonder schaamte over hun problemen te praten. Door het onpersoonlijke karakter van het medium wordt het gesprek al snel heel persoonlijk. Waar je in de face- to-facecontacten en zelfs aan de telefoon eerst een hele tijd over koetjes en kalfjes moet praten, vertrouwen moet winnen en voorzichtig moet aftasten, leggen mensen online meteen hun probleem op tafel. Vooral bij thema’s waar veel schaamte heerst is internetcommunicatie ideaal. Bijvoorbeeld ook bij alcoholverslaving. Zo blijkt dat de website alcoholdebaas.nl vooral hoogopgeleide vrouwen trekt.’</p>
<p>Frans Schalken ervaarde zelf aan den lijve dat alleen al het praten over een probleem verlichting kan brengen. ‘Dat heb ik gemerkt toen ik voor de Kindertelefoon werkte, maar eigenlijk gaat die ervaring verder terug.’ Voor het eerst in het gesprek valt hij stil. ‘Op de middelbare school werd ik gepest. Niet zo heel heftig, maar ik had geen vrienden en ik werd genegeerd. Ik dacht dat ik het allemaal achter me had gelaten. Totdat ik tien jaar later een housewarming organiseerde.’ Weer laat hij een stilte vallen. ‘Er kwam helemaal niemand. Nou ja, er kwam één persoon, maar die telde ik niet mee, want die was ook een beetje een loser. Net als ik mezelf toen vond.&#8217;</p>
<p>‘Ik ben bij mezelf te rade gegaan. Hoe kwam dat nou? Ik was toch geen eikel? Ik kwam erachter dat ik dingen die me dwarszaten eigenlijk nooit met iemand besprak. Als je gepest wordt, voelt dat als een afwijzing. Ik denk dat ik daardoor steeds meer gesloten ben geworden. Als je gesloten bent, kun je immers ook niet worden afgewezen om wat je zegt of vindt. Toen ik dat inzicht eenmaal had, ging ik opener met andere mensen om. Ik merkte dat het heel goed werkte. Ineens had ik heel interessante gesprekken met mensen. Doordat ik zo open over mezelf praatte, deelden anderen ineens ook vanalles met me. Het was een succeservaring: ik praatte uren met mensen, terwijl anderen voorheen al na tien minuten met mij uitgekletst waren.</p>
<p>&#8216;Mijn probleem was niet zozeer het pesten zelf, maar het feit dat ik er nooit met iemand over gepraat heb. Ook niet met mijn ouders, hoewel ik daar heel goed contact mee had. Ik weet niet waarom. Ik denk dat ik nooit ben uitgenodigd erover te praten.’</p>
<p><strong>Probeert u met online hulp iets te creëren wat u zelf gemist heeft?</strong><br />
‘Ik hou niet van hypothetische situaties, maar als er toen online hulp geweest was, had ik er waarschijnlijk wel gebruik van gemaakt, ja. Dan had ik minder lang met mijn problemen rondgelopen, omdat de drempel naar hulp veel lager was geweest. Maar dat moet niet de kop van het artikel worden, hoor.</p>
<p>‘Daarom hamer ik zo op die laagdrempeligheid. Dat is heel belangrijk. Het is de reden waarom ik destijds als vrijwilliger bij de Kindertelefoon ben gaan werken. Ik was op zoek  naar wat meer zingeving naast mijn werk als adviseur, en de toegankelijkheid van de  Kindertelefoon sprak me heel erg aan. Nog steeds is het mijn grote drijfveer. Online hulp is immers dé manier van laagdrempelige hulp. Je nodigt mensen uit om met hun problemen aan de slag te gaan. Het is voor mij de reden om hier hard aan te trekken.’</p>
<p><strong>Wat kost de meeste moeite?</strong><br />
‘De financiering is een groot probleem. De grote kracht van online hulp, de anonimiteit van de hulpvrager, is namelijk ook het grote knelpunt. De financieringsstructuren van de zorg zijn daar niet op ingericht. Veel psychische zorg wordt namelijk betaald door zorgverzekeraars. Die zeggen: “Anoniem? Ho even, ik moet wel weten of de zorg die ik financier door mijn klanten gebruikt wordt. Ik heb geen zin om voor de klant van mijn concurrent te betalen”. Dus moeten instellingen die online behandelen de gegevens van hulpvragers gaan registreren, maar dat werpt een drempel op. Een goed voorbeeld hiervan is Webzorg, de online hulp voor mensen met verslavingsproblemen van Verslavingszorg Noord Nederland. In het begin moesten hulpvragers hun naam en adres registreren om aan een online behandeling te kunnen deelnemen. Er werd maar weinig gebruik van gemaakt. Later mochten mensen ook anoniem deelnemen. Toen werd er vier keer zo veel gebruik van gemaakt!</p>
<p>‘Bij maatschappelijk werk en jeugdzorg speelt een ander probleem voor de financiering. In deze branches wordt de zorg namelijk betaald door de gemeenten en provincies. Internet is echter helemaal niet regio-gebonden. De provincie Limburg wil niet betalen voor de hulpverlener die de ouders uit Groningen helpt bij hun opvoedproblemen.’</p>
<p><strong>Welke gevolgen heeft dit?</strong><br />
‘Voor alle online behandelingen moeten hulpvragers zich op dit moment registreren met voor- en achternaam en woonplaats. Ja, je kán wel anoniem deelnemen, maar dan moet je de behandeling zelf betalen. Dan ben je al snel duizend euro kwijt. Webzorg heeft de anonieme deelname weer moeten terugdraaien, wegens geldgebrek. Doordat cliënten bijna nergens anoniem aan online behandelingen kunnen deelnemen, wordt de potentie van online hulp lang niet ten volle benut. Bij hulpmix kunnen jongeren trouwens wel anoniem chatten en mailen, maar dit is geen complete behandeling.’</p>
<p>‘Eigenlijk zou er een soort preventiepot moeten komen, waar alle zorgverzekeraars een percentage van de premies in stoppen om anonieme online voorzieningen te betalen. Ze zullen het vijf of misschien wel tien keer terug verdienen. Door online hulp worden mensen namelijk eerder bereikt, waardoor het een sterke preventieve werking heeft. Online behandelingen zijn bovendien een goede manier om de kosten van de zorg in de hand te houden. Zo is &lt;I&gt;no show&lt;P&gt; een groot probleem in de ggz, cliënten die niet komen opdagen op een afspraak. De behandelaar is in zo’n geval niet productief. Bij online behandelingen bestaat dat probleem niet. Als een cliënt geen e-mail heeft verstuurd, klikt de behandelaar gewoon verder naar de e-mails van andere cliënten.’</p>
<p><strong>Hoe wordt hulpmix dan gefinancierd?</strong><br />
‘Hulpmix is een samenwerkingsverband van jeugdzorg, jongerensites en verschillende ggz-instellingen verspreid over het land. De helft wordt gefinancierd door de jeugdzorg- en ggz-instellingen, de andere helft door het VSB-fonds en Stichting Kinderpostzegels. Aangezien het anoniem is krijgen we geen geld van de zorgverzekeraars.’</p>
<p><strong>Met dit geld kan de site het redden?</strong><br />
‘Tot het einde van het jaar. Dan is het op. We hebben het aangekaart bij het ministerie van Jeugd en Gezin, maar we wachten al maanden op een reactie. We hebben met de zorgverzekeraars rond de tafel gezeten, maar ook dat leidde tot niets. Ze vinden het allemaal een fantastisch initiatief, die online hulp. En daar kan je het dan mee doen.’ Opgewonden: ‘Terwijl je met laagdrempelige online hulp de mensen veel sneller bereikt. Dat scheelt geld en ellende. Weet je wel hoe lang het gemiddeld duurt voor een alcoholverslaafde in het reguliere systeem hulp zoekt? Tien jaar! Weet je hoe lang het duurt voor iemand hulp zoekt die met huiselijk geweld in aanraking komt? Zes jaar! Al die tijd zit iemand niet goed in zijn vel, misschien meldt hij zich ziek op zijn werk, of komt hij op het verkeerde pad. Dat zijn allemaal maatschappelijke kosten. Alle onderzoeken wijzen erop dat mensen via internet veel sneller hulp zoeken.</p>
<p>&#8216;Ggz-instellingen voelen zich heel erg verantwoordelijk voor de mensen die ze bereiken en behandelen, maar dat geldt vaak niet voor de mensen die ze niet bereiken. Daar verbaas ik me erg over. Voor iedere persoon die binnenkomt, zijn er immers drie, soms wel vijf mensen die dat probleem ook hebben, maar niet in de hulpverlening terecht omen. Ik vind het een morele plicht van instellingen en zorgverzekeraars om juist voor die mensen een aanbod te creëren.’</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.catrienspijkerman.nl/wordpress/?feed=rss2&amp;p=215</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Tekort aan pathologen: Onbekend maakt onbemind</title>
		<link>http://www.catrienspijkerman.nl/wordpress/?p=207</link>
		<comments>http://www.catrienspijkerman.nl/wordpress/?p=207#comments</comments>
		<pubDate>Wed, 09 Jun 2010 07:36:46 +0000</pubDate>
		<dc:creator>admin</dc:creator>
				<category><![CDATA[Achtergrondverhalen]]></category>
		<category><![CDATA[Reportages]]></category>
		<category><![CDATA[AMC]]></category>
		<category><![CDATA[co-assistenschap]]></category>
		<category><![CDATA[linkedin]]></category>
		<category><![CDATA[pathologie]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.catrienspijkerman.nl/wordpress/?p=207</guid>
		<description><![CDATA[Gepubliceerd in Discours, juni 2010. Klik hier voor het artikel bij Discours.
De dagelijkse praktijk van de patholoog komt veel te weinig aan bod in de geneeskundestudie, vindt Marc van de Vijver. Hierdoor heeft de vakgroep maar weinig co’s, en weten zelfs collega’s niet wat pathologen nu eigenlijk uitvoeren. 
Lijken snijden en crime scenes onderzoeken. Het [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><em>Gepubliceerd in Discours, juni 2010. Klik <a href="http://www.amc.nl/?pid=7881&amp;&amp;contentitemid=782&amp;itemid=101">hier</a> voor het artikel bij Discours.</em></p>
<p><strong>De dagelijkse praktijk van de patholoog komt veel te weinig aan bod in de geneeskundestudie, vindt Marc van de Vijver. Hierdoor heeft de vakgroep maar weinig co’s, en weten zelfs collega’s niet wat pathologen nu eigenlijk uitvoeren. </strong></p>
<p>Lijken snijden en crime scenes onderzoeken. Het zijn de dagelijkse werkzaamheden van een patholoog – in de ogen van de buitenwereld althans. Fout, weet professor Marc van de Vijver, patholoog aan het AMC. Hij maakt zich er niet druk over: “Mensen die dat denken, kijken gewoon te veel naar programma’s als CSI.” Wat hij veel erger vindt: zelfs basisartsen hebben nauwelijks benul van wat pathologen nu eigenlijk uitvoeren.</p>
<p>Niet de tv, maar de geneeskundestudie is daar debet aan, stelt Van de Vijver. “Studenten komen alleen met pathologie in aanraking wanneer zij onderwijs over ziekteleer krijgen. Pathologen leggen dan op weefselniveau uit hoe bijvoorbeeld longontsteking ontstaat”, zegt Van de Vijver. Dat de patholoog in de dagelijkse praktijk operatiepreparaten maakt en bewerkt, komt tijdens de studie nauwelijks aan de orde. Dat hij onder de microscoop tumoren bekijkt en oordeelt of ze goed- of kwaadaardig zijn: komt zelden aan bod. Dat de patholoog zelfs een essentiële schakel is bij het stellen van de diagnose van welk ziektebeeld dan ook: dat weet bijna geen enkele student.<br />
<span id="more-207"></span><br />
Onbekend maakt onbemind. Studenten kunnen bij pathologie een keuze co-schap lopen en hun afsluitende, zogenaamde ‘oudste’, co-schap. Maar dat doet slechts een enkeling. “Gemiddeld hebben we één of twee co-assistenten per jaar”, zegt Van de Vijver. Liever had hij er een stuk of zeven per jaar gehad, want ‘co-assistenten zijn potentiële arts-assistenten’, en aan pathologen is al jaren een tekort. “Ik ben er zeker van dat er ieder jaar tientallen studenten zijn die dit vak heel leuk zouden vinden, en er heel goed in kunnen worden. De match wordt echter te weinig gemaakt. Het is net relatiebemiddeling: het juiste vak moet worden gekoppeld aan de juiste basisarts. Maar dan moeten ze elkaar wel weten te vinden.”</p>
<p>Van de Vijver pleit daarom voor meer aandacht in de geneeskundestudie voor de dagelijkse praktijk van de pathologie. “Maar niet alleen om potentiele pathologen te trekken”, benadrukt hij. “Studenten die een ander specialisme kiezen, zouden ook gebaat zijn bij meer inzicht in onze werk. Internisten, chirurgen, dermatologen, ze hebben allemaal met ons te maken. Zij sturen weefsel, wij komen een paar dagen later met de diagnose. Hoe we daartoe komen, is voor veel collega’s vaag.”</p>
<p>Om inzicht te geven in die black box heeft Van de Vijver een plan bedacht. Vanaf september is een diagnostische ingreep een verplicht onderdeel voor iedere bachelorstudent. Deze zomer start een pilot. “De studenten volgen dan alle stappen van patiënt tot diagnose. Ze zijn aanwezig bij de biopsie, zo zien ze de patiënt en zijn klinisch beeld. Vervolgens bewerken ze het biopt, en uiteindelijk bekijken ze het weefsel onder de microscoop. Samen met de patholoog stellen ze aan de hand van dat weefselonderzoek een diagnose.”</p>
<p>Van de Vijver hoopt dat zijn werk hierdoor concreter wordt. “Als co-assistenten bij een patiënt een knobbeltje in de borst ontdekken, weten ze vaak niet wat de volgende stap is. Het is goed als ze een keer gezien hebben wat er daarna gebeurt, dan leeft het meer. Ze zullen ook de onzekerheden beter begrijpen. Artsen willen natuurlijk een eenduidige diagnose, maar soms kan ik niet zeggen of het type tumor A, B, of C is. De arts moet dat uitleggen aan de patiënt. Het kan hem helpen als hij weet hoe ik tot die conclusie ben gekomen.”</p>
<p>Als Olga Stam (29) tijdens haar studie verplicht een diagnostische ingreep had moeten bijwonen, was ze ‘dolgelukkig’ geweest. Ze wist al voordat ze aan haar studie geneeskunde begon dat ze patholoog wil worden. “Ik vind het mooi te zien wat er aan scheelt. Pathologie is een prachtvak, speciaal voor nieuwsgierige mensen die altijd het naadje van de kous willen weten.”</p>
<p>Stam vindt het jammer dat pathologie in haar studietijd zo weinig aan bod kwam. Nu, tijdens haar oudste co-schap kan zij het vak eindelijk aan den lijve ondervinden. “Ik snijd preparaten uit, bekijk ik héle dunne plakjes weefsel op glazen plaatjes onder de microscoop, en help ik diagnosen stellen.” Ze komt hierbij geen enkele patiënt tegen, maar dat vindt ze niet erg. “Dat je de patiënten niet face to face ziet, wil niet zeggen dat je niets voor ze betekent. Wij vervullen een wezenlijke rol in de patiëntenzorg: onze diagnose bepaalt bijvoorbeeld of een patiënt chemotherapie krijgt, of niet. Alleen, we blijven op de achtergrond. ”</p>
<p>Toch is de afwezigheid van patiënten voor veel studenten een reden om niet voor pathologie te kiezen, zegt Van de Vijver. “Het lastige is dat ze tijdens hun eerdere co-schappen nét voor het eerst patiënten hebben behandeld. Veel studenten hebben dan nog romantische gevoelens bij het vak geneeskunde: ze willen mensen beter maken, en denken dat dit alleen maar kan door patiëntencontact te hebben.”</p>
<p>Er is nog een andere reden waarom pathologie in eerste instantie niet aantrekkelijk is voor co’s, geeft Van de Vijver toe. “Het is het leukste voor co’s als ze zelfstandig kunnen werken. Een polikliniek kunnen ze makkelijk in hun eentje draaien. Bij pathologie ligt dat anders. Het duurt een tijd voor je wijs kunt uit al die stipjes en vlekjes die je door de microscoop ziet. Dat maakt het moeilijk in korte tijd veel ervaring op te doen.” Van de Vijver doet dan ook hard zijn best dat te veranderen. “We richten het programma zó in dat de co zoveel mogelijk zelfstandig kan werken.”</p>
<p>Stam is erg tevreden over haar co-schappen. Gehuld in groene jas en handschoenen pakt ze voorzichtig een placenta uit een plastic bak. “Hartstikke vers, het kind is vandaag geboren.” Omdat de baby een paar weken te vroeg kwam, onderzoekt Stam of er iets mis was met de moederkoek. Zorgvuldig bevoelt ze de navelstreng, de vliezen, de placenta. Ze meet de omvang, weegt, snijdt de vliezen los om ze beter te kunnen bekijken. Geïnteresseerd buigt ze zich over het bloederige hoopje. “Die witte plekken vind ik raar”, zegt ze terwijl ze er zachtjes met haar vinger in duwt. Ze schrijft alles op: het gewicht, de lengte, de vorm en ‘witte plekken, ongeveer 20 procent.’ Daarna verdwijnt alles weer in de bak, om hard te worden, zodat morgen het preparaat kan worden uitgesneden en er coupes, héle dunne plakjes weefsel, van kunnen worden gemaakt. Voor onder de microscoop. Over twee dagen weet de gynaecoloog of het aan de placenta lag.</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.catrienspijkerman.nl/wordpress/?feed=rss2&amp;p=207</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Op internet moet je niet bescheiden zijn</title>
		<link>http://www.catrienspijkerman.nl/wordpress/?p=204</link>
		<comments>http://www.catrienspijkerman.nl/wordpress/?p=204#comments</comments>
		<pubDate>Sun, 06 Jun 2010 07:33:33 +0000</pubDate>
		<dc:creator>admin</dc:creator>
				<category><![CDATA[Achtergrondverhalen]]></category>
		<category><![CDATA[arbeidsmarkt]]></category>
		<category><![CDATA[linkedin]]></category>
		<category><![CDATA[netwerken]]></category>
		<category><![CDATA[sociale netwerken]]></category>
		<category><![CDATA[twitter]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.catrienspijkerman.nl/wordpress/?p=204</guid>
		<description><![CDATA[Gepubliceerd in Trouw, 5 juni 2010. Klik hier voor het artikel bij Trouw
Wie niet netwerkt op internet, kan het wel vergeten volgens deskundigen. Twitter jezelf naar een nieuwe baan.
Voor iedereen die nog geen profiel op LinkedIn heeft: slecht nieuws. Loopbaancoaches, arbeidsmarktspecialisten en recruiters zijn het er over eens dat de zakelijke netwerksite onmisbaar is voor [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><em>Gepubliceerd in Trouw, 5 juni 2010. Klik <a href="http://www.trouw.nl/nieuws/economie/article3087136.ece/Op_internet_moet_je_niet_bescheiden_zijn.html">hier</a> voor het artikel bij Trouw</em></p>
<p><strong>Wie niet netwerkt op internet, kan het wel vergeten volgens deskundigen. Twitter jezelf naar een nieuwe baan.</strong></p>
<p>Voor iedereen die nog geen profiel op LinkedIn heeft: slecht nieuws. Loopbaancoaches, arbeidsmarktspecialisten en recruiters zijn het er over eens dat de zakelijke netwerksite onmisbaar is voor iedereen die werkt of werk zoekt. „Je krijgt in Nederland geen nieuw werk meer zonder dat je eerst gezocht wordt op internet”, zegt Aaltje Vincent. Ze is loopbaancoach en schreef samen met recruiter Jacco Valkenburg het boek ’Solliciteren via LinkedIn’. „Iedere werkgever gaat je naam googelen. Je profiel op LinkedIn is dan één van de eerste zoekresultaten.”<br />
<span id="more-204"></span><br />
Werkgevers en recruiters beschouwen dat profiel als een betrouwbare bron, omdat het door de gebruiker zelf is gemaakt, zegt Vincent. „Je snijdt jezelf in de vingers als je die kans mist om de beeldvorming over jezelf te beïnvloeden. Bovendien wordt het meeste werk nog steeds via via vergeven, je hebt dus een netwerk nodig. LinkedIn is een efficiënte en makkelijke manier om je netwerk te onderhouden en op te bouwen.” Hoe eerder je eraan begint, hoe beter, meent Vincent. „Als je een profiel aanmaakt wanneer je werkloos bent, ben je een jaar te laat. Het kost tijd om een netwerk op te bouwen.”</p>
<p>Voor iedereen die een LinkedInprofiel heeft en nu denkt achterover te kunnen leunen: slecht nieuws. Veel Nederlanders bezitten weliswaar een LinkedIn-pagina, maar hebben daar weinig profijt van, weet Vincent. „Je moet de site actief gebruiken. De groepen zijn hierbij essentieel.” Een groep is een forum over een specifiek onderwerp, zoals een groep voor iedereen die geïnteresseerd is in zorginnovatie, of een groep voor promovendi politicologie. „Door lid te worden van groepen waar potentiële werkgevers zich ook bevinden, en actief deel te nemen in groepsdiscussies, vestig je de aandacht op je. Bovendien worden in groepen vaak relevante vacatures geplaatst.”</p>
<p>Ook de zogenoemde ’statusupdates’ zijn handig om de aandacht te trekken, zegt Vincent. „Daarin schrijf je per dag waar je mee bezig bent en wat je op zakelijk gebied interesseert. Dergelijke informatie is heel nuttig voor recruiters.” Vincent merkt dat er veel schroom bestaat om LinkedIn op die manier te gebruiken. „In Nederland geldt toch vaak: doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg. Veel mensen zijn te bescheiden om zich zo te etaleren en te vertellen wat ze allemaal doen en bereikt hebben. Ze zijn bang dat anderen niet zitten te wachten op die informatie. Maar dat is niet waar: juist de mensen die in dezelfde branche werken en nuttig zijn voor je netwerk lezen dit graag, omdat ze dezelfde zakelijk interesse hebben.”</p>
<p>Ook twitter kun je op die manier gebruiken. „De tijd dat twitter een soort vergaarbak was van mensen die vertellen dat ze de was hebben gedaan en dat de koffie vies was, is allang voorbij”, zegt Carlijn Post. Ze is communiecatieadviseur en schreef het boek’ Zakelijk Twitteren voor Beginners’. „Twitter is een ideale manier om je persoonlijke merk op te bouwen. Je regisseert zelf hoe je overkomt. Je twittert bijvoorbeeld dat je net een vergadering hebt gehad over een bepaald onderwerp. Door dat onderwerp te noemen met een hekje ervoor, komen mensen die op dat onderwerp informatie zoeken, bij jou terecht.”</p>
<p>Maar wat nu als je geen werk hebt, en dus zakelijk niets te melden hebt? Ook dan kun je zakelijk opvallen, meent Postma. „Verzamel informatie over de sector waarbinnen je een baan zoekt. Bijvoorbeeld door in je twitterbericht een linkje naar een nieuwsbericht of YouTubefilmpje te plakken. Je zorgt dat je een soort goeroe wordt binnen je vakgebied. Op den duur krijg je steeds meer volgers binnen je branche, omdat jij je account vol hebt staan met berichten die voor hen interessant zijn. In het begin voelt het misschien wat zinloos. Waarom zou je al die informatie verzamelen voor die paar volgers? Het helpt om eens een vraag te stellen aan een onbekende, of zelf op iemand te reageren. Je hebt op die manier snel aanspraak. Mensen antwoordden bijna altijd, omdat de drempel zo laag is.”</p>
<p>Doe als twitterende politici en gooi er af en toe ook een persoonlijk berichtje tussendoor, zegt Postma. „Werkgevers, werknemers en opdrachtgevers vinden het fijn om te zien dat je ook nog mens bent. Via twitter kun je nét even die extra informatie over je persoonlijkheid geven die doorslaggevend kan zijn. Zelf heb ik laatst op die manier een nieuwe werknemer aangenomen. Ik heb een klein communicatiebureau met weinig medewerkers, ik vind het daarom heel belangrijk dat een nieuwe werknemer in het team past. Tijdens de sollicitatieprocedure ben ik de kandidaten gaan volgen op twitter. Als aanvulling op een CV is het nuttig te zien waar iemand zich in zijn vrije tijd mee bezig houdt.”</p>
<p>Volgens Vincent Smit draait het allemaal om wederkerigheid, en is vooral twitter daar een ideaal instrument voor. Jarenlang werkte hij als recruiter, de laatste jaren waren LinkedIn en twitter hierbij zijn belangrijkste hulpmiddelen. Hij plaatste vacatures in LinkedIn-groepen en vroeg zijn netwerk of ze geschikte kandidaten kenden. Tegenwoordig gebruikt hij die ervaring om ’de andere kant’ van de arbeidsmarkt te adviseren. Hij traint ondernemers en werkzoekenden hoe ze twitter en LinkedIn kunnen gebruiken.</p>
<p>Niet in het wilde weg gaan roepen dat je een baan of opdrachtgever zoekt, zegt Smit. „Dan wordt je netwerk gek van je. Pak het strategisch aan. Op LinkedIn zoek je je ideale werkgever op en je kijkt wie voor dat bedrijf werken. Die werknemers zoek je op twitter, en je gaat ze volgen. Bijna altijd gaan die mensen jou dan ook volgen, dat is één van de ongeschreven regels van twitter. Die werknemers ga je helpen. Stel dat één van hen twittert dat hij een vakantiehuisje in Frankrijk zoekt.Je hoeft niet eens een huisje te weten, je kunt op zijn minst de vraag herhalen. Op die manier stel je de vraag aan je eigen netwerk, retweeten heet dat. Die werknemer ziet dat jij hem helpt en zo ben je al een stap dichterbij. Je komt dan makkelijker met elkaar in contact. Wie weet kun je hem de volgende keer iets vragen over zijn werk, of weet hij toevallig dat er een interne vacature is.”</p>
<p>Door twitter en LinkedIn behoort zoeken in vacaturebanken of kranten steeds meer tot de verleden tijd, meent Aaltje Vincent. Voortaan draait het om gevonden worden. Omdat je de aandacht van een recruiter hebt getrokken, of omdat iemand uit je netwerk je op een vacature wijst. „Op LinkedIn stelde iemand me de vraag of ik een flashdesigner kende die voor hem kon werken”, vertelt Smit. „Ik wist niet eens wat een flashdesigner was, maar ik stelde de vraag via twitter. Iemand antwoordde dat hij wel een werkloze flashdesigner kende. Ik stuurde het LinkedIn-profiel door naar de werkgever, en een maand later kreeg ik een bedankje: de flashdesigner was aangenomen. Zo simpel is het.”</p>
<p><strong>1,5 miljoen mensen LinkedIn<br />
Nederlanders vormen na Amerikanen de actiefste gebruikersgroep van LinkedIn. Dat wil zeggen dat ze intensief van de site gebruikmaken. Meer dan twee derde van de hoog opgeleide werkende Nederlanders heeft een profiel.</strong></p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.catrienspijkerman.nl/wordpress/?feed=rss2&amp;p=204</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Bluffen om te verbergen dat je niet kunt lezen</title>
		<link>http://www.catrienspijkerman.nl/wordpress/?p=189</link>
		<comments>http://www.catrienspijkerman.nl/wordpress/?p=189#comments</comments>
		<pubDate>Thu, 13 May 2010 19:45:00 +0000</pubDate>
		<dc:creator>admin</dc:creator>
				<category><![CDATA[Reportages]]></category>
		<category><![CDATA[arbeidsmarkt]]></category>
		<category><![CDATA[laaggeletterdheid]]></category>
		<category><![CDATA[linkedin]]></category>
		<category><![CDATA[Rotterdamse haven]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.catrienspijkerman.nl/wordpress/?p=189</guid>
		<description><![CDATA[Gepubliceerd in Trouw, 8 mei 2010.
Rotterdamse havenwerkers zijn meesters in het verbergen van hun laaggeletterdheid. Overslagbedrijf EMO stuurt ze alsnog naar school.
Als John Dell’Avo (49) de binnenvaartschepen met kolen belaadt, hoeft hij niet meer ‘honderd keer’ op zijn formulier te kijken. “Als schip Trude 2 moet worden beladen met tachtig ton kolen, moet je wel [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><em>Gepubliceerd in Trouw, 8 mei 2010.</em></p>
<p><strong>Rotterdamse havenwerkers zijn meesters in het verbergen van hun laaggeletterdheid. Overslagbedrijf EMO stuurt ze alsnog naar school.</strong></p>
<p>Als John Dell’Avo (49) de binnenvaartschepen met kolen belaadt, hoeft hij niet meer ‘honderd keer’ op zijn formulier te kijken. “Als schip Trude 2 moet worden beladen met tachtig ton kolen, moet je wel weten welk schip Trude 2 is.” Om daarachter te komen had Dell’Avo zo zijn eigen methode: zorgvuldig bekeek hij of de letters op zijn formulier dezelfde vorm hadden als de letters op het schip. “Het ging langzaam, maar het werkte.”<span id="more-189"></span></p>
<p>Tegenwoordig <em>leest</em> Dell’Avo die letters. Sinds zeven jaar zit hij weer op school: hij leert er  lezen en schrijven. “De d’s en t’s en het voltooid deelwoord moet ik er nog beter instampen, maar verder gaat het heel goed. Ik kan een brief schrijven, ik weet waar de komma’s in een zin horen. Mijn kinderen vinden het ook leuk dat ik nu écht voorlees in plaats van een verhaaltje te verzinnen bij de plaatjes.”</p>
<p>Dell’Avo werkt al 21 jaar bij havenbedrijf EMO, Europees Massagoed- Overslagbedrijf, dat in de Rotterdamse haven steenkolen en ijzererts uit de hele wereld opslaat en overlaadt op treinen en binnenvaartschepen.  Het was Dell’Avo’s baas die hem jaren geleden voorstelde weer naar school te gaan. EMO betaalt zijn lessen, en geeft hem vrij om naar school te gaan. Wanneer een les op zijn vrije dag valt, krijgt Dell’Avo van zijn werkgever loon uitbetaald.</p>
<p>Sinds jaar en een dag probeert EMO laaggeletterdheid op de werkvloer aan te pakken, zegt Peter Guijt, personeelsfunctionaris bij EMO. Toch hebben de laatste twaalf jaar maar vier werknemers een cursus gevolgd. Guijt schat dat er op dit moment in zijn bedrijf nog wel een stuk of tien medewerkers rondlopen die gebaat zouden zijn bij scholing in lezen en schrijven.  Guijt: “Het probleem is: vind ze maar eens. Er heerst een groot taboe op laaggeletterdheid. Mensen die moeite hebben met lezen en schrijven zijn meesters in het maskeren daarvan.”</p>
<p>Ook Dell’Avo deed jarenlang alsof er niets aan de hand was. “Ik verzon altijd een smoes. Als ik een formulier moest invullen zei ik bijvoorbeeld: ‘Doe jij dat maar, ik moet even poepen.’ Ik wist me natuurlijk gewoon geen raad met mezelf. Ik blufte, gaf een grote mond en deed stoer. Dan schreeuwde ik: ‘Bekijk het even, schrijf zelf een mailtje!’ Die neiging om zo te reageren heb ik nog steeds af en toe, het was een automatische reflex geworden. Ik deed het zelfs tegen mijn kinderen.”</p>
<p>Leidinggevenden moeten het probleem weten te signaleren, zegt Guijt. EMO verzorgt daarom cursussen waar de leidinggevenden leren welke signalen erop kunnen duiden dat iemand problemen heeft met lezen en schrijven en hoe ze kunnen uitvogelen of dat inderdaad zo is. Ook leren ze hoe ze het gevoelige onderwerp bespreekbaar maken. Zo heeft Arno Hoogwerf, één van de ploegleiders bij EMO een paar trucjes geleerd. “Je kan een vermoeden testen door iemand een formulier op zijn kop te geven. Een werknemer die goed kan lezen en schrijven zal hem meteen omdraaien. Iemand die lastig leest, moet eerst twee keer kijken, en ziet dan pas dat hij hem op z’n kop heeft. Soms kun je ook gewoon eerlijk je vermoeden uitspreken. Als iemand heel boos reageert, zit je meestal in de goede richting.”</p>
<p>Nadat je het probleem eenmaal hebt ontdekt, is het de kunst de werknemers zo ver te krijgen dat ze hulp accepteren, zegt Hoogwerf. “Je kan iemand moeilijk verplichten. Als je bij de  werknemer na jaren trouwe dienst aankaart dat hij wellicht een cursus taalvaardigheid zou kunnen volgen, zou hij dat als bedreiging kunnen zien. ‘Maar ik heb toch altijd goed gefunctioneerd?’, zegt hij dan. We proberen te benadrukken dat hij er zelf veel voordeel uit kan halen. Hij zal bijvoorbeeld eindelijk de ondertiteling van een film kunnen lezen.”</p>
<p>Bij aanname van nieuw personeel gaat EMO in de toekomst gebruik maken van de taalscan. Deze scan werd vorige maand geïntroduceerd door vakbond FNV, ondernemersorganisatie VNO-NCW en het MKB, brancheorganisatie voor midden- en kleinbedrijf. Met de uitkomst van de test kan de werkgever gemakkelijk bepalen of de nieuwe werknemer een taalcursus nodig heeft. “Je kunt dan meteen duidelijk maken aan de werknemer dat hij zich bij ons niet hoeft te schamen, en dat we iets aan zijn laaggeletterdheid kunnen doen.”</p>
<p>Aad Koolmees (52) heeft er nooit een geheim van gemaakt. “Ik heb het eerlijk gezegd: ik kan geen letter lezen of schrijven. Als kind was ik vaak ziek, daardoor heb ik nooit goede lessen kunnen volgen.” Net als Dell’Avo werkt Koolmees als productiemedewerker bij EMO, al 38 jaar. Twaalf jaar geleden ging hij op advies van zijn werkgever terug naar school. Na vier jaar taalles kreeg hij echter een conflict met zijn docent, wat hem deed besluiten dat het genoeg was geweest. “Ik kan nog steeds nauwelijks lezen, schrijven en rekenen”, zegt hij. “Maar ik heb er nooit problemen mee. Als ik iets niet weet, vraag ik het gewoon aan mijn collega’s.”</p>
<p>De mannen werken in ploegen, waarbinnen de band heel hecht is, zegt Hoogwerf. “Dat is een groot voordeel. Ze helpen elkaar. De machinist die samenwerkt met Koolmees, weet dat hij de bootnamen moet voorlezen.” Toch denkt Hoogwerf dat het steeds moeilijker wordt om goed te functioneren zonder te kunnen lezen en schrijven. “Bij de nieuwste machines moet je bijvoorbeeld van een computer aflezen wat voor storing er is. Vroeger drukte je bij een storing gewoon op een knop, en dan kwam er een team om het op te lossen. Tegenwoordig willen ze dat je eerst doorgeeft wat voor storing er gaande is. Er wordt op steeds meer van je verwacht – zowel in het werk als in de samenleving.”</p>
<p>EMO investeert dan ook in de aanpak van laaggeletterheid vanuit een maatschappelijk belang, zegt Hoogwerf. “We zijn betrokken bij onze werknemers en vinden het belangrijk dat ze zich kunnen ontwikkelen.” Het bedrijf heeft er echter zelf ook belang bij dat de werknemers kunnen lezen en schrijven. Koolmees kan door zijn laaggeletterdheid bijvoorbeeld niet worden ingezet op bepaalde machines. “Hij is daardoor maar beperkt inzetbaar, terwijl hij evenveel betaald krijgt als collega Dell’Avo die tegenwoordig meer verschillende machines kan besturen”, zegt Hoogwerf. Als Dell’Avo’s dienst op de machine erop zit, laat hij net als alle andere medewerkers een verslagje achter voor de collega die hem aflost: “Die en die trein is klaar, en Trude 2 is beladen.”</p>
<p><strong>Één op tien<br />
Volgens Stichting Lezen en Schrijven heeft één op tien volwassen Nederlanders moeite met lezen en schrijven. In Rotterdam is die verhouding volgens de gemeente Rotterdam één op zes. Vorig jaar sloot EMO zich daarom aan bij het Rotterdams Bondgenootschap tegen Laaggeletterdheid, waarin Rotterdamse bedrijven de laaggeletterdheid binnen hun eigen en andere bedrijven een jaar lang aanpakken en onder de aandacht brengen. De Rabobank, Rotterdam Airport, Dura Vermeer en de Erasmus Universiteit zijn enkele andere bondgenoten.</strong></p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.catrienspijkerman.nl/wordpress/?feed=rss2&amp;p=189</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Afkicken van de olieverslaving</title>
		<link>http://www.catrienspijkerman.nl/wordpress/?p=183</link>
		<comments>http://www.catrienspijkerman.nl/wordpress/?p=183#comments</comments>
		<pubDate>Wed, 14 Apr 2010 20:52:10 +0000</pubDate>
		<dc:creator>admin</dc:creator>
				<category><![CDATA[Achtergrondverhalen]]></category>
		<category><![CDATA[duurzaamheid]]></category>
		<category><![CDATA[linkedin]]></category>
		<category><![CDATA[oliecrisis]]></category>
		<category><![CDATA[piek olie]]></category>
		<category><![CDATA[Transition Towns]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.catrienspijkerman.nl/wordpress/?p=183</guid>
		<description><![CDATA[Gepubliceerd in QPQ, blad over sociaal ondernemen, april 2010
Zelf voedsel verbouwen en leven van de zon en de wind: bewoners van Transition Towns bereiden zich voor op olieschaarste en klimaatverandering. Ze wachten niet op overheden, maar nemen het heft in eigen handen. “Het dogma van oneindige groei geldt niet meer.”
 
Tara Notenbomer eet uit haar [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><em>Gepubliceerd in QPQ, blad over sociaal ondernemen, april 2010</em></p>
<p><strong>Zelf voedsel verbouwen en leven van de zon en de wind: bewoners van Transition Towns bereiden zich voor op olieschaarste en klimaatverandering. Ze wachten niet op overheden, maar nemen het heft in eigen handen. “Het dogma van oneindige groei geldt niet meer.”</strong></p>
<p><strong> </strong></p>
<p>Tara Notenbomer eet uit haar tuin. In de zomer staat spinazie, courgettes en aardbeien op tafel, in de winter pastinaak, wortelen en knolgroenten – allemaal zelf verbouwd. Een leuk tijdverdrijf, maar volgens Notenbomer bovenal noodzakelijke voorbereiding. Want binnen ‘afzienbare tijd’ zal men zelf voedsel moeten produceren om geen honger te hoeven lijden.</p>
<p>De oorzaak: piek olie. Volgens die gedachte bereikt de mondiale olieproductie ooit een maximum. Vanaf dat moment, de piek, zal de productie alleen nog maar afnemen, terwijl de vraag naar olie nog steeds stijgt. Er ontstaat een steeds grotere schaarste, waardoor de olieprijs almaar hoger wordt. “Transport van goederen wordt daardoor veel te duur, en supermarkten zullen op den duur leeg blijven. Daar moeten we op anticiperen”, zegt Notenbomer. Notenbomers doel is dan ook haar hele woonplaats Deventer zo ‘eetbaar’ mogelijk te maken. “Al het openbaar groen kan worden omgebouwd tot moestuinen. We moeten zoveel mogelijk zelfvoorzienend en olie-onafhankelijk worden.” <span id="more-183"></span></p>
<p>De piek olie voorspelling werd al in 1956 door Shell-onderzoeker M. King Hubbert gedaan. Sindsdien is de piekcurve in veel ander onderzoek bevestigd, onder meer door het internationale kennisinstituut Clingendael. De grote vraag blijft alleen: wanneer is het zo ver? Er is geen goed zicht op de totale omvang van olievoorraden, waarschijnlijk is het piekmoment pas achteraf te benoemen. Sommige analisten menen dat het al heeft plaatsgevonden, – zij zien de hoge olieprijs in 2008 als eerste stuiptrekking – andere menen dat het nog lang niet zo ver is. Oliebedrijf Shell bevestigt dat op lange termijn een piek in de productie zal worden bereikt, maar dat betekent niet dat de olie op is. Volgens Shel is de piek voor makkelijk te winnen olie inderdaad dichtbij, maar op de lange termijn is er volgens het bedrijf nog veel mogelijk met moderne, duurdere winmethodes.</p>
<p>Het vraagt hoe dan ook om een drastisch andere manier van leven, zegt Paul Hendriksen. Hij is de initiatiefnemer van Transition Town Deventer. Een Trasition Town probeert een gemeenschap voor te bereiden op de stijgende olieprijs en klimaatverandering. Hiervoor moet het energieverbruik van de bewoners sterk omlaag, electriciteit moet voortaan duurzaam worden opgewekt, er moet voldoende lokale voedselproductie zijn om de hele stad te voeden, gezondheidszorg moet zoveel mogelijk lokaal aanwezig zijn, oude ambachten moeten in ere worden hersteld. “Kortom, bewoners moeten in wonen, werken en leven van hun olieverslaving worden afgeholpen”, zegt Hendriksen.</p>
<p>Maar hoe krijg je de buurtbewoners zo ver dat ze die radicale omslag maken? De kracht van de Transition Town is de gemeenschap, zegt Hendriksen. “Als je in je eentje uit je tuin gaat eten en probeert met alternatieve energiebronnen te overleven, is dat heel goed, maar het zet weinig zoden aan de dijk. Als je op hoger niveau veranderingen probeert door te voeren, zou je bij de overheid moeten gaan lobbyen. Het is voor de politiek echter een heel onaantrekkelijk onderwerp, want het zou te veel belangengroepen tegen de borst stuiten. Dat krijg je er dus nooit snel genoeg door.” Wat wel werkt: kleine groepjes mensen die samen aan een verandering werken die ze zélf interessant vinden. “Het is de bedoeling dat wijkbewoners zelf projecten beginnen en uitvoeren. Omdat ze de onderwerpen zelf kiezen, zijn ze sowieso gemotiveerd, en door de kleinschaligheid en praktische instelling worden de resultaten ook voor anderen zichtbaar.”</p>
<p>Adri Ros wilde bijvoorbeeld altijd al zonnepanelen op zijn dak. “Maar de kosten bleken veel te hoog”, zegt hij. Nu zit hij voor Transition Town in de energiewerkgroep, die uit vier mensen bestaat. “We proberen zo veel mogelijk buurtbewoners te verzamelen die ook zonnepanelen willen, zodat we ze collectief kunnen inkopen, dat is goedkoper. De gemeente vond het zo’n goed plan dat we subsidie hebben gekregen om het onder de aandacht te brengen. We organiseren voorlichting over energiebesparing, bijvoorbeeld een quickscan-avond. Daar kunnen buurtbewoners laten doorrekenen hoe ze energie kunnen besparen, en hoeveel zonnepanelen ze nodig zouden hebben.”</p>
<p>Zelf is Ros al heel wat zuiniger geworden. “De thermostaat staat bij ons thuis altijd op 17 graden, voorheen was dat 20. Als we het koud hebben, pakken we een dekentje.” Ros heeft een cursus moestuinieren gedaan, en staat op de wachtlijst om met anderen een moestuin te delen – zijn eigen tuin is te klein om van te leven. Bovendien heeft Ros al een zonneboiler, een warmwatertank, op het dak. “Onze visite moet altijd even naar de zolder, om dat ding te bewonderen. Ik hou er wel van om mijn omgeving te enthousiasmeren.”</p>
<p>Transition Town Deventer was de eerste in Nederland, en bestaat nu een jaar. Is het openbaar groen al moestuin, liggen er al zonnepanelen op de daken? “Zo snel gaat dan niet”, zeggen Notenbomer, Ros en Hendriksen in koor. Er is nog weinig zichtbaars veranderd. Notenbomer: “Ieder stukje grond heeft een eigenaar. Het kost heel veel tijd te achterhalen wie dat is, en dan moet die eigenaar ook nog eens bereidwillig zijn. De gemeente wil graag meewerken, maar veel ligt al vastgelegd in bestemmingsplannen.”</p>
<p>De Eetbare Stad heeft plannen en samenwerkingsverbanden genoeg. “Samen met de voedselbank willen we een project opzetten om klanten van de voedselbank eigen stukjes grond te laten verbouwen. Wat ze zelf niet eten kunnen ze weer verkopen. Een prachtidee, het slaat veel vliegen in één klap. Het probleem is alleen: waar halen we die grond vandaan?”, zegt Notenbomer. In het voorjaar organiseert de werkgroep een themadag die alle belanghebbenden bij elkaar moet brengen. Notenbomer hoopt dat bewoners dan afspraken zullen maken met grondeigenaren.</p>
<p>Ook de zonnepanelen laten op zich wachten. Ros: “Subsidieaanvragen zijn langzame trajecten. Bewoners kunnen maar één keer per jaar subsidie aanvragen, dat gaan we in het voorjaar dus ook zeker doen. Vorig jaar was de subsidieaanvraag bij de overheid binnen twee dagen volgeboekt. Er is gelukkig steeds meer animo voor, maar het blijft duur, we hopen goede deals te kunnen sluiten met leveranciers.”</p>
<p>Je kunt ook niet te veel in een keer verwachten, meent Hendriksen. “Al het werk wordt immers door vrijwilligers gedaan.” Het is de bedoeling dat de werkgroepen spontaan ontstaan: iedereen kan een werkgroep oprichten met een thema naar eigen smaak. Het staat bovendien vrij zich bij een groep voegen. Behalve de Eetbare Stad en de Energiegroep kent Transition Town Deventer ook de Transitionradiozender, de werkgroep Verhalen uit de Toekomst, die door verzonnen radio- en krantenberichten een ideaalbeeld schetst van het toekomstige Deventer, en de werkgroep Hart en Ziel, die zich bezighoudt met de psychologie van de verandering. De werkgroepen moeten de andere bewoners mobiliseren. Daarom organiseren ze vrijblijvende activiteiten die hun onderwerp onder de aandacht moeten brengen. De werkgroep Eetbare Stad, die uit Notenbomer en zeven anderen bestaat, organiseert bijvoorbeeld ‘pluktochten’ waarbij deelnemers in een wandeltocht door de stad op zoek gaan naar iets eetbaars uit de natuur. Met de opbrengst wordt een gezamenlijke maaltijd bereid.</p>
<p>Ondanks het vrijwillige karakter is er al heel wat bereikt, vindt Hendriksen. “In Deventer zijn ruim 35 bewoners zeer actief, 350 mensen staan op onze maillijst en veel daarvan komen geregeld naar bijeenkomsten. Er zijn het afgelopen jaar maar liefst 64 activiteiten georganiseerd. In totaal hebben we ruim 2000 mensen bereikt. Je moet toch eerst draagvlak creeëren voor je grote veranderingen kan doorvoeren.”</p>
<p>De groep actieve deelnemers bestaat volgens Hendriksen vooral uit ‘laaghangend fruit’, mensen die toch al met dit onderwerp bezig waren, zoals Notenbomer. “Ik was altijd al een ecofreak”, zegt ze zelf. “Al jarenlang vegetarisch, ik koop alleen maar biologisch afbreekbaar afwasmiddel, ik heb nooit een auto gehad, noem het maar op. Transition Town is eindelijk een beweging waar ik precies in pas. Het is minder eenzaam nu, ik heb veel geestverwanten.” Eerst de ecofreaks, dan komt de rest vanzelf, is het idee. Ros: “Het sneeuwbaleffect is pas net in gang gezet. We gaan niet proberen iedereen over te halen. De SBS6-mensen volgen pas in een veel later stadium.”</p>
<p>Hendriksen noemt het een ‘spagaatgevoel’. “Je weet dat dit soort dingen tijd nodig hebben, maar tegelijkertijd weet je dat de tijd dringt. We kunnen en willen niets opleggen, de verandering moet uit de mensen zelf komen. Anders beklijft het niet.” Dat is lastig, vindt Notenbomer. “Veel mensen <em>willen</em> het niet weten. Vooral ouders van jonge kinderen vinden dit toekomstbeeld eng. Als ze heel diep nadenken weten ze ook wel dat we zo niet verder kunnen, we plegen immers roofbouw op de toekomst. Toch gaat iedereen lustig door met zijn luxe leventje. Mensen vertrouwen erop dat ‘ze’ het wel zullen oplossen. Wie dan, en wanneer?”</p>
<p>Hoe vervelend het ook is, de omstandigheden geven Transtition Towns de wind in de zeilen, zegt Hendriksen. “Klimaatverandering, voedselcrises, de economische crisis, het zijn allemaal bewijzen dat er iets moet veranderen. Het dogma ‘oneindige groei’ geldt niet meer. Natuurlijk moeten we blijven innoveren en zo veel mogelijk gebruik maken van moderne oplossingen zoals zonnepanelen. Maar voor de productie en transport daarvan heb je óók grondstoffen nodig. Ook daar zit dus een grens aan. We zullen steeds meer moeten vertrouwen op menselijke en dierlijke energie. In dat opzicht gaan we een beetje terug naar de Middeleeuwen. Ten opzichte van nu betekent dat minder luxe. Maar het levert ook een ontspannener en schonere samenleving op, waarin mensen elkaar weer kennen.”</p>
<p>“Het lastige van transitie is: we weten dat de samenleving er op een wezenlijk andere manier uit zal zien, maar we weten niet precies hoe. Dat is nu eenmaal het kenmerk van een paradigmawisseling”, zegt Hendriksen. Op de websites van Transition Towns lees je dan ook: ‘Wij hebben geen idee of dit werkt’. Hendriksen: “Daar kom je alleen achter door het te doen. Dit is het grootste sociale experiment ooit.”</p>
<p><strong>Hoe het begon<br />
Drie jaar geleden kwam Hendriksen voor het eerst in aanraking met Transition Town. Voor zijn werk was hij bij een lezing over duurzaamheid in een dorpje in Engeland. “Ik wist niet wat me overkwam: het was ongelofelijk druk. In die afgeladen ruimte zat een idiote dwarsdoorsnede van de bevolking. Huisvrouwen, mannen in pak, grannies met blauwig grijs haar en krakers met dreads. Allemaal waren ze geïnteresseerd. Op lezingen over duurzaamheid komt doorgaans anderhalve man en een paardekop af. Ik had geen idee wat er aan de hand was, maar nam wel een foldertje mee over het dorp.”</strong></p>
<p><strong>Dat dorp bleek Totnes, de woonplaats van Rob Hopkins, de geestelijk vader der Transition Towns. Totnes (8.000 inwoners) zet nu zelf een lokale windenergiecentrale op, er is een transitie-educatieproject om kinderen voor te bereiden op olieschaarste en het dorp heeft een garden share project waarbij moestuinen gezamenlijk worden onderhouden. Totnes heeft zelfs een eigen munteenheid, de Totnes Pound, om de lokale economie te stimuleren. Sinds het uitkomen van Hopkins’ bestseller Transition Town Handbook in 2006, telt Engeland meer dan honderd andere officiële Transition Towns, en ontstonden tientallen Towns in de VS, Canada en Australië. In Nederland zijn er inmiddels zo’n twintig actieve Transition Towns zoals Nijmegen, Groningen, Emmen, Zutphen en Leeuwarden. Zeker veertig initiatieven zijn in opstart, meldt Hendriksen, die trainingen geeft aan initiatiefnemers.<br />
</strong></p>
<p><strong>Transition Town in twaalf stappen volgens het Handboek van Rob Hopkins<br />
1.    Richt een stuurgroep op.<br />
2.    Breng het probleem van piek olie en klimaatverandering in de woonplaats onder de aandacht, bijvoorbeeld door filmvertoningen van The Age of Stupid.<br />
3.    Leg het fundament. Werk samen met bestaande initiatieven en investeer in netwerken.<br />
4.    Organiseer een Grote Lancering, een gedenkwaardig evenement waarin de Transition Town wordt gepresenteerd aan de gemeenschap.<br />
5.    Vorm werkgroepen<br />
6.    Gebruik open space, een brainstormmethode waaraan iedereen kan deelnemen.<br />
7.    Laat door zichtbare acties zien wat je wilt<br />
8.    Organiseer de Grote Herscholing. Leer de mensen weer zelf dingen maken, repareren en bouwen, herintroduceer oude vaardigheden.<br />
9.    Bouw bruggen naar het lokale bestuur Als de tijd rijp is betrek je het gemeentebestuur bij de Transition Town.<br />
10.    Betrek de ouderen. Ouderen zijn waarschijnlijk de enigen in de gemeenschap die nog weten hoe een samenleving werkt waar minder energie beschikbaar is.<br />
11.    Laat het gaan waar het gaat. De projecten moeten vanuit de bewoners komen. Probeer het proces niet te sturen.<br />
12.    Stel een ‘minder energie plan’ op. Dit plan, door de werkgroepen samen ontwikkeld, voorziet in een olie-onafhankelijke toekomst. En dan begint het echte werk.<br />
</strong></p>
<p><strong>Het kan ook in de stad.<br />
Hoewel Transition Town uitgaat van de ‘kracht van de lokale gemeenschap’, kan het ook in grote steden als Londen en Amsterdam worden opgezet. “Men is geneigd actief te worden op een niveau dat te overzien is. Het helpt als je elkaar kent, en direct resultaat ziet in je eigen buurt”, zegt Hendriksen. “In de praktijk zie je dus dat Transtion Towns in grote steden vanzelf onderverdeeld raken in kleinere initatieven van hooguit 15.000 inwoners.” Zo is de wijk de Pijp in Amsterdam een Transition Town. Ook hier worden onder meer projecten gestart om moestuinen te delen, en er worden workshops gegeven in tuinieren op klein oppervlak.</strong></p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.catrienspijkerman.nl/wordpress/?feed=rss2&amp;p=183</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>De Prael houdt het klein</title>
		<link>http://www.catrienspijkerman.nl/wordpress/?p=181</link>
		<comments>http://www.catrienspijkerman.nl/wordpress/?p=181#comments</comments>
		<pubDate>Wed, 14 Apr 2010 20:46:14 +0000</pubDate>
		<dc:creator>admin</dc:creator>
				<category><![CDATA[Reportages]]></category>
		<category><![CDATA[bierbrouwerij]]></category>
		<category><![CDATA[De Prael]]></category>
		<category><![CDATA[linkedin]]></category>
		<category><![CDATA[psychiatrie]]></category>
		<category><![CDATA[sociaal ondernemen]]></category>
		<category><![CDATA[werk]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.catrienspijkerman.nl/wordpress/?p=181</guid>
		<description><![CDATA[Gepubliceerd in QPQ, blad over sociaal ondernemen, april 2010
Bij Bierbrouwerij De Prael hebben bijna alle werknemers een psychiatrische achtergrond. Het bedrijf dat begon met een rammelende tweedehands bierinstallatie op een industrieterrein in Amsterdam-Zuid groeide uit tot een veelgevraagd biermerk met een winkel en proeverij op de Wallen. Een van de eerste sociale ondernemingen van Amsterdam [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><em>Gepubliceerd in QPQ, blad over sociaal ondernemen, april 2010</em></p>
<p><strong>Bij Bierbrouwerij De Prael hebben bijna alle werknemers een psychiatrische achtergrond. Het bedrijf dat begon met een rammelende tweedehands bierinstallatie op een industrieterrein in Amsterdam-Zuid groeide uit tot een veelgevraagd biermerk met een winkel en proeverij op de Wallen. Een van de eerste sociale ondernemingen van Amsterdam gaat als een trein. Maar er zitten grenzen aan de groei.</strong></p>
<p>Reinier (50) vraagt zich nooit meer af of het eigenlijk wel zin heeft om de deur uit te gaan. Hij doet het gewoon, want hij heeft een verantwoordelijkheid. Een baan. Sinds een paar jaar geeft hij rondleidingen in brouwerij De Prael, vier dagdelen per week, vrijwillig. Reinier is gediplomeerd bioloog, spreekt vloeiend Engels, Duits en Frans. Toch heeft hij eerder nooit een ‘normale baan’ gehad. <span id="more-181"></span></p>
<p>Het werk zelf was het probleem niet, legt hij uit. “Maar als je een psychische ziekte hebt, ben je heel vatbaar voor stress. De druk was te hoog, telkens werd ik ziek.’ Dan werd hij weer opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. Door al dat niksdoen voelde hij zich óók beroerd. “Als je niet kan werken, en bij vrijwilligerswerk willen ze je ook niet, dan wordt het heel moeilijk om een ritme in je dag, je week, je leven aan te brengen. Ik voelde me volkomen zinloos.”</p>
<p>Werk is een goede behandelmethode, weten psychiatrisch verpleegkundigen Fer Kok (49) en Arno Kooy (52). Acht jaar geleden richtten zij brouwerij De Prael op. Hun 82 werknemers hebben bijna allemaal een psychiatrische ziekte. “Het lijkt misschien een onverstandige combinatie, psychisch zieken en alcohol”, zegt Arno Kooy. “Toch hebben we slechts twee keer in acht jaar iemand moeten ontslaan wegens drankgebruik. Drinken is hier namelijk strikt verboden, als we iemand betrappen vliegt hij er meteen uit – dat weet ook iedereen.”</p>
<p>In de regel is het juist een heel goede combinatie, legt Kooy uit. “Bier spreekt tenminste aan. Onze werknemers zijn zo trouw en gemotiveerd, omdat ze ergens aan meewerken waar ze achter staan. Dat is nog eens wat anders dan schoffelen in een plansoentje met een oranje hesje aan. Ze werken aan een eerlijk en écht product dat wordt verkocht in winkels en café’s. Daar zijn ze trots op.”</p>
<p>Midden in het centrum van Amsterdam, op de Wallen, zit de brouwerij, de winkel en de proeverij van de Prael. “Hier begint het allemaal”, zegt werknemer André (44) op de ‘brouwzolder’. André springt vandaag bij als rondleider, eigenlijk is hij verkoper. “Ik bedien voornamelijk de slijters. Op mijn fietsje ga ik ze allemaal af. Een beetje kletsen, en proberen ze over te halen een bestelling bij ons te doen. Het loopt heel goed, we krijgen steeds meer klanten. Het verkoopvak zit me in het bloed. Van mijn 12e tot mijn 22e stond ik in de dierenwinkel van mijn vader. Daar heb ik de fijne kneepjes wel geleerd.”</p>
<p>Op de brouwzolder laat André zien hoe de zakken mout aan een katrol naar boven worden getakeld. Net als vroeger worden de zakken via de Amsterdamse grachten aangevoerd en op de kade, de bierkaai, gelegd. Eenmaal boven worden de korrels op recept afgewogen. “Willeke: 163 kilo pilsmout, 102 kilo tarwemout”, hangt in sierlijke letters ingelijst aan de muur. Alle bieren zijn vernoemd naar beroemde Nederlandse smartlappenzangers. “Willeke is ons winterbier”, vertelt André. “Willeke Alberti is blond, dus dit is een blonde triple. Willy Alberti had zwarte haren, dus onze Willy is donker bier, bitterzoet.”</p>
<p>Een verdieping lager worden de flessen gevuld. De ene werknemer houdt de fles onder de vulmachine, en zet de volle fles vervolgens op de werkbank. Op die werkbank drukt de volgende werknemer zorgvuldig het dopje op de fles. “Dit kan ook automatisch natuurlijk, of aan de lopende band”, zegt André. “Maar dat willen we niet, want dan is er minder werk. Wij doen het zoals het vroeger gebeurde. Straks gaan deze jongens de etiketten erop plakken. De meesten hebben hier steeds een andere taak, zo wordt het werk nooit saai.”</p>
<p>Verderop sleept Fathi (45) een lege fust onder een enorme machine. “Chemicaliën”, zegt hij, wijzend op de fust. “Hij maakt de fusten schoon”, verduidelijkt André. “Het is zijn vaste taak, we noemen hem daarom Fusti. Om goed te reinigen is een mengsel van verschillende chemicaliën nodig, die Fusti uit vaatjes tapt. Hij weet precies hoeveel erin moet.” Fathi glundert. “Ik werk hier al drie jaar, dus ik weet alles van reinigen.” Fathi is één van de zes werknemers met een vast contract. Net als alle anderen begon hij als vrijwilliger, maar sinds een jaar krijgt hij een salaris. Hij werkt vijf dagen in de week, 36 uur.</p>
<p>In hun vorige baan zagen oprichters Kok en Kooy hoe het niet moest. “In het activiteitencentrum voor psychiatrische patienten waar we tien jaar geleden samen werkten, werden de patiënten vaak bezig gehouden met zinloze klusjes als hout bewerken. Er was geen noodzaak om er wat moois van te maken, want er zat toch niemand op te wachten.”</p>
<p>Een enquête onder de patienten deed het activiteitencentrum destijds opschrikken: ruim tachtig procent van de patiënten wilde gewoon betaald werk. “Dat was toen, in 1999, een opzienbarende conclusie. Vooral omdat niemand werk hád”, vertelt Kooy. “Wij probeerden wel stageplekken voor hen te zoeken bij bedrijven, maar dat liep bijna altijd mis. Die bedrijven hadden geen inzicht in de mogelijkheden en beperkingen van de patiënten.”</p>
<p>Bovendien was de sfeer in die bedrijven niet goed, vonden de patiënten. “Ze konden niet meekomen in de kantine, voelden zich buitengesloten. Ze wisten niet waar ze met hun collega’s over moesten praten.” Dat was ook het geval bij de speciale werkvoorzieningen. “Dat waren enorme apparaten waar heel veel verstandelijk gehandicapten bijelkaar een simpel werkje verrichtten. Daar voelden ze zich natuurlijk óók niet thuis. Want psychiatrisch patiënten hebben vaak een heel andere achtergrond in werk en opleiding. Ze hebben bijvoorbeeld een universitaire studie gedaan, en diploma’s.”</p>
<p>Kortom: er was niets voor Kooy en Koks patiënten. Daarom namen de twee psychiatrisch verpleegkundigen het heft in eigen handen. Kooy: “We brouwden altijd al samen bier, en het was onze stiekeme droom ooit een eigen brouwerij te hebben.” Met hulp van de Amsterdamse geestelijke gezondheidsinstelling Ingeest en fondsen voor arbeidsrehabilitatie lukte het hen genoeg geld bij elkaar te krijgen voor een goedkope tweedehands bierinstallatie. In april 2002 werden de eerste speciaalbiertjes van de Prael gebrouwd, vanuit een rammelig pandje op een industrieterrein in Amsterdam-Zuid.</p>
<p>Ezra (38) was erbij, helemaal in het begin. “Het stelde niet veel voor. We plakten wat etiketjes, de productie was heel laag.” Nu staat Ezra achter de toonbank in de winkel op de Wallen. “Prachtig werk, ik ontmoet mensen van over de hele wereld. De Prael is nu een echt bedrijf, we zijn steeds efficiënter geworden. De groei is nog niet gestopt hoor, we kunnen nog meer geld verdienen, vind ik.”</p>
<p>In 2002 verdiende de Prael nog nauwelijks geld uit bierverkoop. “We krijgen AWBZ-zorggeld voor het aantal uur dat we een psychiatrisch patient aan het werk zetten”, zegt Kooy. “De verhouding biergeld-zorggeld was lange tijd 10-90.” In 2008 verhuisde de Prael naar een nieuwe locatie, midden in het centrum. Sindsdien is de Prael niet meer louter een productiebedrijf, maar haalt zij ook inkomsten uit de proeverij en de winkel. Er werden nieuwe werknemers aangenomen en de centrale locatie tussen horecagelegenheden bracht veel nieuwe afnemers. Bovendien is de productie flink omhoog gegaan: de nieuwe bierinstallatie kan vier keer zoveel brouwen als de oude. Tegenwoordig is de biergeld-zorggeld verhouding 40-60, het streven is het omgekeerde.</p>
<p>Of je nu voor 10 procent van je inkomsten afhankelijk bent van de verkoop, of voor 60 procent, er is altijd een spanningsveld, zegt Kooy. “Voor de markt moet het product aan bepaalde eisen voldoen. Je moet een zekere kwaliteit leveren, anders kun je niet bestaan als onderneming. Vooral bij speciaal bier komt dat heel nauw, de concurrentie is moordend. Tegelijkertijd kunnen onze werknemers niet veel aan. Ze maken sneller fouten, zeker als ze onder druk staan.”</p>
<p>De nieuwe locatie zorgt voor meer stress. “Inhoudelijk is er voor veel werknemers niet zo veel veranderd: het bierbrouwen is hetzelfde gebleven. Maar een hendeltje aan een machine dat nét iets verschilt, maakt dat iemand de vaardigheden helemaal opnieuw moet aanleren. Je moet meer herhalen en controleren dan in een normaal bedrijf. Onze werknemers maken nu eenmaal minder groei door in hun zelfstandigheid van werken.”</p>
<p>De schaalvergroting maakt de constante controle en persoonlijke begeleiding echter lastiger. “Vroeger hadden we alles in de gaten”, zegt Kooy. “Ik zag in een ooghoek of iemand stond te klooien. Dan ging ik na een tijdje langs om te kijken waar hij mee bezig was. Nu staan Fer of ik niet altijd in de buurt. Daar moeten de werknemers aan wennen, maar het vergt ook discipline van Fer en mij om toch overal te blijven controleren.”</p>
<p>André vindt zijn werk sinds de uitbreiding leuker geworden. “Ik heb een functie gekregen waar ik mijn ei in kwijt kan. Voorheen werkte ik in de brouwerij, en reed ik bestellingen rond. Verkopen aan slijterijen is een veel grotere uitdaging.” Dat maakt het ook moeilijker. “Ik krijg veel teleurstellingen te verwerken. Ik ben er achter gekomen dat verkopen niet alleen leuk met klantjes praten is. Niet iedereen wil bestellen. Dan zeggen ze: ‘ik bel je nog’, of ‘ik heb nog’ – ik ken inmiddels alle excuses. Dat vind ik moeilijk. Dan pak ik een kop koffie in de kantine om bij te komen. Dat kan hier gelukkig.”</p>
<p>Tussen de middag wachten de medewerkers aan de lange tafel in de kantine op de beroemde gebakken eieren van kantinemedewerker Gerty (59). Donderdag is namelijk eitjesdag. Broodmanden worden in snel tempo doorgegeven, en Gerty gaat met zijn pan langs. “Een huiskamersfeer”, zegt rondleider Reinier tevreden, terwijl hij de kantine overziet. Sommigen eten zwijgend hun brood, en verlaten dan geruisloos de tafel, anderen kletsen uitgebreid met hun buurman. “We lunchen altijd gezamenlijk. Als je ochtenddienst hebt blijf je nog even hangen, heb je middagdienst, dan kom je wat eerder. Het is hier altijd gezellig.”</p>
<p>Reinier heeft het bedrijf zien veranderen. “Het is altijd verleidelijk om met een romantische blik terug te kijken en te zeggen dat het vroeger beter was. Met de mensen die hier langer werken heb ik een band opgebouwd. Nu gaat dat wat lastiger. Er zijn meer verschillende soorten werkzaamheden. Je hebt de winkel, de brouwerij, de proeverij. Daardoor kom je sommige mensen niet zo vaak tegen.”</p>
<p>Door de de schaalvergroting staat het familiegevoel onder druk, geeft Kooy toe. “We steken er heel veel energie in om dat niet te laten gebeuren.” Dat komt neer op ‘vooral heel hard werken.’ “Samen lunchen, een kerstdiner en samen voetbalwedstrijden kijken, helpt ook. En  we hebben iemand aangenomen om de verkoop te leiden.”</p>
<p>Het oorspronkelijke doel om de werknemers te laten doorstromen naar regulier werk, hebben Kooy en Kok gaandeweg achter zich gelaten. “In acht jaar is het maar zes mensen gelukt. De overigen die ‘promoveerden’ naar regulier werk, kwamen allemaal weer terug. Ze voelden zich niet thuis in de nieuwe omstandigheden, of bij hun nieuwe collega’s. Sommigen hebben we toen zelf in dienst genomen, via de Wet Sociale Werkvoorziening. Volgens die wet hoef je als werkgever maar heel weinig loonskosten te betalen wanneer je iemand met een chronische handicap in dienst neemt.”</p>
<p>Dat betekent wel dat het bedrijf een beetje dicht slibt. Ontslagen vallen er namelijk zelden in De Prael. “Mensen mogen hier fouten maken, of langzaam werken. We hebben enorm respect voor onze werknemers. Het is immers een veel grotere inspanning voor hen om te komen werken dan voor andere mensen. En toch doen ze het. Dat verliezen we wel eens uit het oog. Wij werken hier niet vanuit een ziektebesef, zoals ze op activiteitencentra doen. Hier moet je gewoon aan het werk, want het bier moet gebrouwen.”</p>
<p>Groter wil de Prael niet worden. “Er zitten grenzen aan de groei”, zegt Kooy stellig. “Ik geloof niet in grootschaligheid van sociale ondernemingen. Met onze ingrediënten, is dit onze grens. Dat is niet negatief bedoeld, het is een constatering. Als je controle wil houden over de situatie, dan zul je je mensen moeten kennen. Je moet weten wie je voor je hebt, en voor hen moet het vertrouwd voelen. Laatst kwam ik iemand tegen die hier nog maar net werkte. Ik had hem misschien twee keer gezien, en ik dacht: wie is dit ook al weer? Dat is echt de limiet.”</p>
<p><strong>Groei met behoud van authenticiteit<br />
Hoe groot kunnen sociale ondernemingen groeien? Grootschaligheid vraagt om eficiëntie, en de vraag is of dit niet botst met de waarden en principes van het bedrijf. Arno Kooy gelooft niet in grootschaligheid van sociale ondernemingen. In het geval van brouwerij de Prael komt het familiegevoel, de kracht van het bedrijf, door grootschaligheid onder druk te staan, meent hij.<br />
Ook Jim Bowes van GreenGraffity gelooft niet in grootschaligheid. Zijn bedrijf maakt milieuvriendelijk reclame door met behulp van een sjabloon, water en een hogedrukspuit een reclameboodschap in het straatvuil te ‘schrijven’. Voor het waterverbruik wordt gecompenseerd door te investeren in waterprojecten van NGO’s. Grootschaligheid van zijn bedrijf zou zijn principes van openheid, transparantie en vertrouwen onder druk zetten, zegt hij.<br />
Sociaal ondernemers zijn vaak pioniers in hun veld. Bij iedere verandering moeten zij opnieuw het wiel uitvinden. Dat geldt dus ook voor schaalvergroting. Ook daarvoor is geen standaard recept. Dat wil echter niet zeggen dat het niet werkt, er moeten alleen steeds nieuwe werkvormen worden bedacht. Zo zou je bijvoorbeeld via de celfilosofie kunnen uitbreiden, waarbij het bedrijf na een bepaalde groei, bijvoorbeeld 50 werknemers, zich opsplitst in twee cellen. Als die cellen weer groeien, herhaalt het proecs zich.<br />
Ook een franchiseconstructie is mogelijk. GreenGraffiti werkt volgens een dergelijk principe. “Voor weinig geld bieden we aan geïnteresseerden een partnership aan. Zij betalen dan een laag vast bedrag voor het gebruik van ons reclameconcept, en wanneer zij geld verdienen krijgen wij daar ook een klein deel van”, zegt Bowes. “Bovendien zijn ze verplicht een duurzaamheidsproject te steunen. Ze mogen zelf kiezen welk project, maar het is ‘part of the deal’ dat ze die investering doen. Op die manier zijn we niet zo zeer een franchise, maar eerder een gemeenschap – een groep van bedrijven die de GreenGraffiti principes gebruiken voor duurzame communicatie.”<br />
Kooy vindt het beter klein te blijven, maar misschien denkt hij er over vijf jaar anders over, geeft hij toe. “Stel bijvoorbeeld dat we uit financiële noodzaak zouden moeten uitbreiden, dan is een parapluconstructie misschien een goede oplossing: allemaal kleine bedrijfjes onder één noemer. Zo is er in Dronten een soortgelijke brouwerij gestart, en er is er één in oprichting in Zaandam. Wij hebben geholpen bij de opzet, maar daarna hebben we onze handen er helemaal vanaf getrokken. Dat moet je niet óók nog willen doen. Het is altijd leuk om iets nieuws op te zetten, maar het vereist al je aandacht. Dan ga je verwaarlozen waar je mee bezig was, en daar schuilt het gevaar.”</strong></p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.catrienspijkerman.nl/wordpress/?feed=rss2&amp;p=181</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>&#8216;In Nederland heb ik toch niets te verliezen&#8217;</title>
		<link>http://www.catrienspijkerman.nl/wordpress/?p=174</link>
		<comments>http://www.catrienspijkerman.nl/wordpress/?p=174#comments</comments>
		<pubDate>Sat, 10 Apr 2010 11:31:34 +0000</pubDate>
		<dc:creator>admin</dc:creator>
				<category><![CDATA[Interviews]]></category>
		<category><![CDATA[arbeidsmarkt]]></category>
		<category><![CDATA[emigratie]]></category>
		<category><![CDATA[Europa]]></category>
		<category><![CDATA[expat]]></category>
		<category><![CDATA[jongeren]]></category>
		<category><![CDATA[linkedin]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.catrienspijkerman.nl/wordpress/?p=174</guid>
		<description><![CDATA[Gepubliceerd in Trouw, 10 april 2010. 
Jongeren die een baan over de grens zoeken, hebben meestal al in het buitenland gewoond. &#8216;Het blijft Europa, zo&#8217;n big deal is het niet.&#8217;
Waarom ga ik eigenlijk niet in Praag wonen?, dacht Ferenc Roos (29) toen hij vorige zomer terugkwam van vakantie. Zijn baan in Rotterdam begon hem tegen [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><em>Gepubliceerd in Trouw, 10 april 2010. </em></p>
<p><strong>Jongeren die een baan over de grens zoeken, hebben meestal al in het buitenland gewoond. &#8216;Het blijft Europa, zo&#8217;n <em>big deal </em>is het niet.&#8217;</strong></p>
<p>Waarom ga ik eigenlijk niet in Praag wonen?, dacht Ferenc Roos (29) toen hij vorige zomer terugkwam van vakantie. Zijn baan in Rotterdam begon hem tegen te staan, en de Tjechische stad had hem betoverd. Roos, afgestudeerd in Taal en Cultuur Studies aan de Universiteit Utrecht, werkte als bemiddelaar voor visa. Hij regelde Russische verblijfs- en werkvergunningen voor Nederlanders die in Rusland gingen werken. “Ik had in die baan weinig doorgroeimogelijkheden, en ik wilde wat anders. En waarom niet naar Praag? Misschien kon ik daar wel wat beters krijgen.”</p>
<p>Steeds meer jonge hoogopgeleiden kiezen voor een baan in een ander EU-land, blijkt uit een recent onderzoek van loonverwerker en salarisadministratiebureau Automatic Dataprocessing (ADP). In 2009 verhuisde vijf op de duizend Europeanen naar een ander EU-land om te werken, zes jaar geleden was dit nog drie op duizend. Volgens schattingen van het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI) verblijft ongeveer 6 procent van de Nederlandse beroepsbevolking in het buitenland. Ruim de helft daarvan zit in de EU. Hoeveel hoogopgeleiden Nederlanders jaarlijks emigreren voor werk, wordt nergens bijgehouden.<br />
<span id="more-174"></span><br />
Sinds een maand woont en werkt Roos in zijn geliefde stad. Op internet vond hij stomtoevallig een vacature bij een grote Amerikaanse oliemaatschappij met een internationaal kantoor in Praag. Hij werd aangenomen. “Beter dan alles wat ik in Nederland had kunnen krijgen”, zegt hij over zijn baan in Tjechië. “Met mijn studie kun je nu bijna niets in Nederland, de opties waren heel beperkt.” Als contract beheerder in het business support centre van de oliemaatschappij is hij verantwoordelijk voor aanbestedingen voor raffinaderijen in de Benelux. “Ik weet nog weinig van dit werkterrein af, maar ik ben aangenomen vanwege mijn talenkennis. Ik spreek Nederlands, Engels, Frans en redelijk Duits. Russisch kan ik lezen en begrijpen, praten gaat wat moeilijk.”</p>
<p>De baan is uitdagend, en er zijn goede mogelijkheden om hogerop te komen. Zelfs financieel gaat hij erop vooruit. “In Nederland verdiende ik in absolute zin weliswaar meer, maar hier is het leven veel goedkoper. Ik hou meer over aan het eind van de maand om leuke dingen te doen. Voor Tjechische begrippen is mijn salaris trouwens heel goed hoor. Ambtenaren krijgen gemiddeld de helft van mijn salaris.”</p>
<p>Nieuwe ervaringen opdoen, een beter salaris, en betere werkomstandigheden zijn de belangrijkste reden om in een ander EU-land te gaan werken, blijkt zowel uit onderzoek van ADP als van NIDI. Vooral jonge mensen zijn bereid in het buitenland te gaan werken. Volgens cijfers van het NIDI heeft meer dan één derde van de jongeren tot 35 plannen om in het buitenland te werken, en bijna 10 procent verwacht dat het er in de nabije toekomst van zal komen. Hoe hoger de leeftijd, des te lager het percentage dat plannen maakt en verwacht dat deze ook zullen uitkomen.</p>
<p>Ook Allard van Helbergen (26) besloot zijn heil in een ander EU-land te zoeken. “Het was me al snel duidelijk dat ik in Nederland niet zou worden aangenomen voor de functie die ik wil. Mijn vakgebied is namelijk heel specifiek.” Van Helbergen heeft een masterdiploma informatiekunde en is gespecialiseerd in het functioneel ontwerp van software, met name de  gebruiksvriendelijkheid van programma’s en websites. “De kleine Nederlandse ontwerpbureaus zoeken iemand met ervaring, de grote bureaus hebben nu geen geld voor een junior.” Van Helbergen voelde zich genoodzaakt op bredere functies binnen zijn vakgebied te solliciteren, en stond al op het punt een baan te accepteren bij een consultantbureau in Nederland.</p>
<p>Via een kennis die bij Google werkt in Dublin, hoorde hij dat daar een plek vrij kwam. Sinds een paar weken werkt hij nu bij Google, waar hij een functie heeft die goed op zijn specialisme aansluit. Over de inhoud ervan mag hij niets vertellen. “In Dublin dus”, zegt hij laconiek. “Ik weet eigenlijk nog niets van de stad, het is allemaal heel snel gegaan. Maar het had niet uitgemaakt waar ik heen ging, het gaat mij om de baan.”</p>
<p>Toch zijn onderzoekers het erover eens dat de abeidsmobiliteit in de EU nog altijd zeer gering is. “Vooral als je het vergelijkt met de VS”, zegt onderzoeker Hubert Krieger van ADP. “Daar verhuist ieder jaar 2 procent van de Amerikaanse beroepsbevolking naar een andere staat. Een op de drie Amerikanen woont en werkt buiten zijn thuisstaat.” Het achterlaten van familie en vrienden, een andere taal leren, andere woonomstandigheden en andere gezondheidszorg beletten de Europeanen om te vertrekken, blijkt uit onderzoek.</p>
<p>Jongeren hebben hier minder moeite mee. Zowel het NIDI als onderzoeker Krieger van ADP ziet een verband tussen de vele uitwisselingsprogramma’s van universiteiten en hoge scholen en de bereidheid van de jonge mensen om in het buitenland te gaan werken. “Steeds meer jongeren hebben eerder al een tijd in het buitenland gewoond. Ervaring in migratie is een goede voorspeller voor migratie in de toekomst”, zegt Krieger. “Van de 25- tot 39-jarige Europeanen heeft 5 procent al eens in een ander EU-land gewoond. Dat aandeel zal alleen maar toenemen. Voor 40- tot 45 jarige is dat 4 procent, en voor 55-plussers niet eens 4 procent.”</p>
<p>Voor Emmie Robben (23) gaat die theorie zeker op. Ze studeerde Engelse en Spaanse taal en cultuur, en volgde een minor Spaans aan de universiteit in Saragossa. Daar leerde ze haar vriend Paolo kennen, een Italiaanse student geneeskunde. Nadat ze in Nederland haar masterdiploma had behaald, besloot ze in Italië te gaan werken. Sinds een paar maanden woont ze bij Paolo in Milaan en geeft ze een paar uur in de week Engelse les aan zakenmannen. De overige uren doet ze administratief werk, onder haar niveau. “Lesgeven vind ik leuk en uitdagend, maar het administratieve werk is saai. Ik verdien bovendien heel erg weinig. Maar ik mag blij zijn dat ik werk héb, het is als net afgestudeerde heel moeilijk om in Italië aan een baan te komen.”</p>
<p>Haar baan is niet ideaal, zegt ze. “Maar ik geniet ervan in Italië te zijn. Paolo heeft met vrienden een huisje in de bergen gehuurd: iedere week twee uur in de auto, en dan een heel weekend skieën. Het eten is geweldig, en ik hou van het land. Ik ben hier naartoe gekomen omdat ik toch niets te verliezen heb. Buitenlandervaring is altijd goed. En wie weet krijg ik wel een betere functie als ik wat meer werkervaring heb. Zo werkt het in Italië nu eenmaal: je moet altijd onderaan beginnen. Hoe langer je bezig bent, hoe hoger je komt.”</p>
<p>Ook Roos en Van Helbergen hebben eerder in het buitenland gewoond: beiden zijn kind van expats. “Ik vind het leuk om ergens opnieuw te beginnen”, zegt Roos. “Het is echt niet zo moeilijk als je denkt. Oké, er is hier een andere munt, en ik moet een nieuwe taal leren, maar zo’n probleem is dat niet. Op mijn werk spreken we trouwens Engels.” Ook Van Helbergen doet er makkelijk over. “Verandering van baan en woning geeft altijd wat gedoe, het maakt niet uit of je nu naar Limburg of Dublin vertrekt. Veel vrienden van me zitten ook in het buitenland, ik denk dat het steeds normaler wordt. Met die goedkope vluchten kun je bovendien gemakkelijk heen en weer. Het blijft natuurlijk Europa, zo’n big deal is het niet.”</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.catrienspijkerman.nl/wordpress/?feed=rss2&amp;p=174</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>&#8216;Vluchtelingen zijn vaak geboren ondernemers&#8217;</title>
		<link>http://www.catrienspijkerman.nl/wordpress/?p=172</link>
		<comments>http://www.catrienspijkerman.nl/wordpress/?p=172#comments</comments>
		<pubDate>Sat, 03 Apr 2010 11:26:05 +0000</pubDate>
		<dc:creator>admin</dc:creator>
				<category><![CDATA[Reportages]]></category>
		<category><![CDATA[Business School voor Nieuwe Nederlanders]]></category>
		<category><![CDATA[eigen bedrijf]]></category>
		<category><![CDATA[linkedin]]></category>
		<category><![CDATA[ondernemen]]></category>
		<category><![CDATA[onderwijs]]></category>
		<category><![CDATA[Rotterdam]]></category>
		<category><![CDATA[vluchtelingen]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.catrienspijkerman.nl/wordpress/?p=172</guid>
		<description><![CDATA[Gepubliceerd in Trouw, 3 april 2010
Vluchtelingen hebben vaak laaggewaardeerde baantjes, terwijl ze veel meer in hun mars hebben.  Voor hen opende Rotterdam een nieuwe school die hen helpt bij het opzetten van hun eigen bedrijf.
Naraa Gombosuren (48) heeft een gat in de Nederlandse markt ontdekt: kleren uit Mongolië. “Geheel ecologisch, van honderd procent kajsmir, of [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><em>Gepubliceerd in Trouw, 3 april 2010</em></p>
<p><strong>Vluchtelingen hebben vaak laaggewaardeerde baantjes, terwijl ze veel meer in hun mars hebben.  Voor hen opende Rotterdam een nieuwe school die hen helpt bij het opzetten van hun eigen bedrijf.</strong></p>
<p>Naraa Gombosuren (48) heeft een gat in de Nederlandse markt ontdekt: kleren uit Mongolië. “Geheel ecologisch, van honderd procent kajsmir, of honderd procent schaapswol”: ze klinkt al als volleerd verkoper. “Duurzame producten zijn nu een trend in Nederland. Mongolische kleren passen daar precies in, maar ze worden in Nederland nog nauwelijks verkocht.” Gombosuren mailt met salesmanagers in Mongolië, ze laat zich catalogi en showmoddellen opsturen, en ze speurt het land af naar een geschikt pand. “Binnen een jaar open ik mijn winkel”, zegt ze vastberaden.</p>
<p>In een vorig leven was Gombosuren tolk en vertaler. Ze werkte voor een nationaal persbureau in haar geboorteland Mongolië, waar ze van Russisch naar Mongools vertaalde en andersom. Ongeveer tien jaar geleden vluchtte ze naar Nederland, over de reden praat ze liever niet. In Nederland werkte ze jarenlang aan de lopende band in een ‘tomatenfabriek’. “Inpakken en sorteren, soms wel twaalf uur achterelkaar. Heel zware jaren.” Maar iets beters vond ze niet. <span id="more-172"></span></p>
<p>Eeuwig zonde, vindt Eric Dijkhuizen. Hij is projectcoördinator van de Rotterdamse Busisness School voor Nieuwe Nederlanders (BSNN), die vorige week officieel werd geopend. De school is een proefproject dat negentien ex-vluchtelingen begeleidt bij het opzetten van hun eigen onderneming. “Veel vluchtelingen zijn hoogopgeleid. In hun eigen land leidden ze vaak een maatschappelijk betrokken en actief leven, maar in Nederland komen ze bijna altijd terecht in een baan ver onder hun niveau. Ze zwerven van het ene laaggewaardeerde baantje naar het andere, terwijl ze juist uitermate geschikt voor het ondernemersschap”, zegt Dijkhuizen. “Om te vluchten moet je risico’s durven nemen en van aanpakken weten: eigenschappen die goed van pas komen wanneer je een eigen zaak opzet.”</p>
<p>Coachingsprogramma’s bij het opzetten van een eigen zaak zijn er genoeg. “Maar die gelden vooral voor werklozen en mensen in de bijstand”, stelt Dijkhuizen. “Voor mensen met een baan zijn er nauwelijks regelingen, men gaat er van uit dat werkenden hun zaakjes zelf wel kunnen regelen. Maar dat is heel moeilijk voor mensen die niet thuis zijn in de regels en instanties van een land.”</p>
<p>Daarom zette maatschappelijk investeerder Start Foundation een school op waar werkende ex-vluchtelingen twee keer per week’s avonds les krijgen over boekhouding, marketing en juridische zaken. Drie keer per week krijgen zij bovendien huiswerkbegeleiding van een ondernemer uit het bedrijfsleven die hen helpt bij het schrijven van hun ondernemingsplan. BSNN belooft de ondernemers zelfs een startkapitaal. “In deze tijd sta je zelfs met een heel goed plan binnen vijf minuten weer buiten als je bij de bank een lening vraagt. We willen niet dat het daarop stukloopt. Daarom hebben we met banken afgesproken dat onze leerlingen een krediet krijgen. Mits ze een ontzettend goed ondernemingsplan hebben, natuurlijk”, zegt Dijkhuizen.</p>
<p>Gombosuren deelt haar klas met vijf anderen die net als zij het Nederlands nog niet vloeiend beheersen. Het huiswerk van vorige week: nadenken over de juridisch vorm van hun bedrijf. Docent Hans Slager – overdag advocaat ondernemers- en arbeidsrecht – kijkt de klas rond. “Wordt het een eenmanszaak of een B.V.?”, vraagt hij.</p>
<p>Gombosuren steekt haar hand op: “Ik kies voor een eenmanszaak.” Bezorgd bladert ze door haar aantekeningen. “Maar stel nu dat ik failliet ga, kunnen ze dan het huis afpakken van mijn vriend met wie ik samenwoon?” Slager legt uit dat je bij een eenmanszaak persoonlijk aansprakelijk bent. “In die vorm bent u zelf het bedrijf, dus komen ze het geld bij u halen. Als u bent getrouwd in gemeenschap van goederen, of een samenlevingscontract hebt, kunnen ze het geld ook bij uw partner komen halen.”</p>
<p>Ook Faris Al-Qazueni (42) uit Irak kiest voor een eenmanszaak. Hij wil een fietsenwinkel beginnen, waar klanten ook voor reparaties terecht kunnen. “Ga je ook personeel aannemen?”, vraagt Slager. Al-Qazueni knikt. “Oproepkracht”, zegt hij. “Daar moet je mee uitkijken”, zegt Slager. “Als je regelmatig op een vaste dag je oproepkracht inzet, kan die werknemer op den duur aanspraak maken op salaris voor die uren – zelfs als jij hem niet nodig hebt. De werknemer heeft in Nederland heel goede rechten.” Slager heeft nog een waarschuwing: “Als iemand voor je werkt die geen verblijfsvergunnning heeft, krijg je een boete van 8000 euro. Ook al werkte hij maar één dag.” De cursisten maken driftig aantekeningen. “En als je niet wist dat hij illegaal is?”, vraagt Al-Qazueni. “Dan ook. Vraag dus altijd naar zijn paspoort.”</p>
<p>Vooral de bureaucratie is een lastig voor deze groep, zegt Dijkhuizen. “Eén van de cursisten heeft bijvoorbeeld het idee om met een mobiele soepkar door de stad te trekken. Dat kan niet zomaar: voor iedere plaats waar je met die kar gaat staan moet je een vergunning hebben. Dat soort regels zijn ze niet gewend. Ze vroegen mij: jij hebt toch goede connecties met de burgemeester? Kan jij dat niet even regelen? Misschien kun je in hun land bij de burgemeester wat geld over de tafel schuiven, maar zo werkt het hier niet.”</p>
<p>Ze mogen het dan lastig vinden, de cursisten zijn het wel met de regels eens. “Het hoort nu eenmaal bij zakendoen in Nederland”, zegt Al-Qazueni, die in Irak als olie ingenieur werkte. “Je moet veel belasting betalen, maar daar krijg je ook veel garantie voor terug.”</p>
<p>De Eritreer Musei Abraham (38) wil weten of zijn vrouw in zijn bedrijf mag werken. Hij wil een Afrikaans eethuis in het centrum van Rotterdam beginnen, waar je met je handen moet eten. “Dat mag”, zegt Slager. “Als eenmanszaak is het is belastingtechnisch zelfs erg voordelig als uw vrouw bij u werkt, omdat u dan meewerkersaftrek krijgt. Het scheelt ook in de kosten, want u hoeft haar geen salaris te betalen.” Abraham knikt. “Maar misschien is het verstandiger de risico’s spreiden”, vervolgt Slager. “Als uw zaak slecht loopt, heeft u beide geen inkomsten. Of stel dat ze ziek wordt. Een andere werkgever had haar dan gewoon uitbetaald, die inkomsten loopt uw gezin dan dus mis.”</p>
<p>Hard werken en veel reclame maken, dan komt hij er wel, denkt Abraham. “Het belangrijkste is dat ik een lening krijg bij de bank, want ik verdien te weinig met mijn baantjes om geld opzij te zetten.” Nu werkt Abraham, die in Ethiopië als politiek gevangene vastzat, nog als schoonmaker, klusjesman en ‘soms als bouwvakker’. Hij heeft vertrouwen in zijn plan. “Indjera wordt de basis van mijn menukaart. Het is een soort pannekoek, die je op veel manieren kan vullen. Dat is leuk, lekker, gezond en nieuw. Veel Nederlanders hebben er nog nooit van gehoord. In Rotterdam is maar één ander Afrikaans restaurant, dus er is weinig concurrentie.”</p>
<p>Het is een moeilijke tijd om een onderneming op te zetten, geeft Abraham toe. “De economie is slecht. Een eigen bedrijf brengt veel risico’s met zich mee. Ik heb ook nog vier kleine kinderen die moeten eten.” Hij is even stil. “Maar zonder risico geen succes.”</p>
<p><strong>Slechte positie</strong><br />
<strong>Volgens Vluchtelingenwerk telt Nederland tussen de 200.000 en 250.000 ex-vluchtelingen met een verblijfsvergunning. De werkloosheid onder vluchtelingen is ongeveer zes keer zo hoog als onder autochtonen.<br />
Start Foundation investeert in experimenten die mensen helpen met een slechte positie op de arbeidsmarkt, zoals vluchtelingen en gehandicapten. In de zakenschool voor vluchtelingen, BSNN, stopt het investeringsfonds 150.000 euro. De cursisten moeten zelf ook 25 euro per maand betalen.  Als het experiment in Rotterdam een succes is, komen er ook scholen in andere steden.</strong></p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.catrienspijkerman.nl/wordpress/?feed=rss2&amp;p=172</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
	</channel>
</rss>
