‘Wat?! Ben je nu nog steeds ziek?’ – De keerzijde van het broodfonds

Gepubliceerd in dagblad Trouw, 28 juni 2020

Solidariteit, kleinschaligheid en bovenal vertrouwen. Dat zijn de pijlers van de 600 broodfondsen die Nederland telt. Toen freelancejournalist en broodfondslid Catrien Spijkerman door een fietsongeluk maandenlang moest revalideren, ondervond ze ook de bezwaarlijke kanten van dat o zo mooie systeem.

Mijn onlinebankafschrift is gevuld met een lange lijst namen, 49 in totaal. Allemaal hebben ze op dezelfde dag geld op mijn rekening gestort. Twaalf euro kreeg ik van ene M. Meyer, 25 van K. van Beek, twintig van A. Hoeks. De afgelopen maanden heb ik – aangevuld met wat eigen spaargeld – van hun centen geleefd.

En ik ken ze niet eens. Nou ja, nauwelijks. Ik weet dat ze allemaal, net als ik, in Amsterdam wonen, en allemaal net als ik, ondernemer of freelancer zijn. Beeldend kunstenaar, hovenier, binnenvaartschipper, yogalerares, verloskundige, schoonheidsspecialist, journalist. Ik zag ze welgeteld drie keer: op een voorlichtingsbijeenkomst, de oprichtingsbijeenkomst en op een borrel.

April vorig jaar sloot ik mij aan bij een nieuw op te richten broodfonds, een collectief van ondernemers die bij ziekte voor elkaars ziekte­verlof betalen. Tien jaar had ik als freelancende journalist vrolijk m’n kop in het zand gestoken: arbeidsongeschiktheid moest mij maar niet overkomen. En mocht ellende mij tóch overvallen, had ik daarvoor een spaarpot opgebouwd. Klassieke denkfout, hield de broodfondsmeneer me op de voorlichtings­bijeenkomst voor: zo verlies je bij ziekte niet alleen je inkomsten, maar ook nog eens je spaargeld. Nauwelijks een half jaar later typte ik nota bene op de dag van de eerste Algemene Ledenvergadering vanuit het ziekenhuis een mailtje naar mijn broodfondsbestuur dat ik die avond niet zou komen. Op weg naar mijn kantoor had ik een fietsongeluk gehad. Knie gebroken op twee plekken, waarvan eentje een ‘gecompliceerde breuk’. Met schroeven in het bot moest de boel weer in elkaar worden gezet.

Gewoon door blijven werken? De orthopeed en fysiotherapeut lachten me nog net niet in m’n gezicht uit. Als ik ooit weer wilde lopen, moest ik mij fulltime aan de revalidatie gaan wijden, legden ze me fijntjes uit. Ik mocht de deur niet uit (sowieso nogal een opgave aangezien ik op vierhoog woon zonder lift) en ik moest zo’n vijf tot zes uur per dag revalidatie-oefeningen doen. Niet langer dan tien minuten zitten, niet langer dan tien minuten staan, zo weinig mogelijk lopen.

Ik leg het allemaal uit aan Frits, een ICT-ondernemer uit mijn broodfonds die zich als vrijwilliger had aangemeld als contactpersoon voor de zieken. Ik verontschuldig me, voel me bezwaard, want ik weet: nu moeten al die mensen mij gaan betalen. Maar Frits was heel duidelijk: “Maak je geen zorgen, hier is het broodfonds voor”.

Bijna 27.000 ondernemers zitten bij een broodfonds. Nog voor deze zomer zou minister Koolmees van sociale zaken met een wet komen die de arbeidsongeschiktheidsverzekering regelt, maar op dit moment is-ie er nog niet en een verzekering in de private sector is zo ongeveer onbetaalbaar. Een broodfonds draait om solidariteit, kleinschaligheid en vertrouwen. Zo bestaat de groep uit maximaal vijftig leden, omdat het aantal anders te groot wordt om elkaar nog persoonlijk te kennen. Er komt bovendien geen dokter of medische verklaring aan te pas: als iemand zegt dat hij ziek is en daardoor niet kan werken, dan is dat zo.

De vijfde keer dat ik hem spreek voor de maandelijkse update, klinkt Frits ineens anders. Ik werk inmiddels halve dagen, en het schenkingsbedrag is daarom ook gehalveerd. “Ik vind het nu wel erg lang duren”, zegt hij. En trouwens, ik heb als journalist toch een zittend beroep? Ik leg hem opnieuw uit hoeveel tijd ik nog steeds kwijt ben aan die eindeloze revalidatie-oefeningen en bezoeken aan de fysio­therapeut om de dag – drie uur per keer. Ik voel me alleen maar ongelofelijk bezwaard.

Een paar dagen eerder is het land in lockdown gegaan, sommige ondernemers weten niet of ze over een paar maanden überhaupt nog bij het broodfonds zitten, omdat hun onderneming tegen die tijd wellicht niet eens meer bestaat. Ook zij betalen nog steeds aan mij. “Ik vind óók dat het lang duurt”, zeg ik wanhopig. Hoe dankbaar ik ook ben voor de maandelijkse schenkingen, ik zou ineens willen dat ik met al dit ongemak niets meer te maken hoef te hebben. Het schuldgevoel, het idee dat er misschien aan mijn intenties getwijfeld wordt, het machteloze gevoel blijkbaar niet te kunnen overtuigen – ik zou nu liever wél een doktersbriefje laten zien.

Keerzijde
Het is de keerzijde van dat mooie systeem van kleinschaligheid en vertrouwen: wanneer er geen ‘objectieve’ maatstaven zijn, kan iedereen er het zijne van vinden – en alles is even waar. Wat weet een ICT-ondernemer over knie-revalidatie na een gecompliceerde breuk? Niets natuurlijk. Maar hij mag zich best afvragen waarom het zo lang duurt. “Ik had een gekke dubbelrol”, legt Frits later uit, wanneer ik geen schenkingen meer ontvang en hij zijn functie inmiddels aan een ander heeft overgedragen. “Aan de ene kant wilde ik namens het broodfonds steun bieden, aan de andere kant had ik het gevoel de geldpot te moeten bewaken. Er waren op dat moment ook nog andere zieken, er ging meer geld uit dan erin kwam.”

Toch is het niet de taak van het broodfonds om het zieke lid te controleren, zegt Biba >> Schoenmaker. Zij is een van de Broodfonds­Makers, de centrale organisatie die alle broodfondsen met advies, administratie en begeleiding ondersteunt. “Je kunt de zieke bemoedigend toespreken, je kunt geïnteresseerde vragen stellen, maar daarmee houdt het op. Je bent immers geen arts.” De broodfondsleden kunnen ervan uitgaan dat de zieke er alles aan doet om het werk weer op te pakken, zegt ze. “Als het werk te lang stilligt, zal dat voor de zieken de vervelendste consequenties hebben – ze verliezen steeds meer opdrachten en klanten.” Bovendien drukt het vertrouwen van de anderen zo zwaar op de zieken, dat het heel onwaarschijnlijk is dat die er misbruik van maken, zegt Schoenmaker.

Hoe rot het ook voelt, toch heb ik ook begrip voor de kritische houding van Frits. Als ik rondvraag bij collega-zzp’ers bij andere broodfondsen, blijkt bijna iedereen wel een verhaal te hebben over een ‘twijfelgeval’. Vooral bij psychische klachten zijn er moeilijk in te schatten ‘grijze gebieden’. Een broodfondslid dat door nare gebeurtenissen op haar werk overspannen was geraakt en schenkingen van haar broodfonds ontving, vertelde collega-lid Maarten van Essen uit Amersfoort op een nieuwjaarsreceptie dat ze zich oriënteerde op ander werk. “Ze was ook al wat acquisitie aan het doen. Daar verdien je weliswaar nog niks mee, maar dan ben je wat mij betreft aan het werk. Moeten wij daarvoor betalen? Ik denk van niet.”

Toch kan ook Van Essen, die werkt als arts en jarenlang bedrijfsarts was, zich vinden in het systeem zonder medische keuringen. “Iemand is arbeidsongeschikt wanneer hij vanwege zijn gezondheid niet kan voldoen aan de eisen die zijn werk aan hem stelt. Het draait dus niet zozeer om de medische diagnose, maar om de capaciteit van de persoon. Die afweging is grotendeels boerenverstand.” Van Essen heeft de kwestie met het acquirerende broodfondslid wel voorzichtig genoemd bij zijn bestuur, maar besloot er geen punt van te maken.

Klikspanen
“Het zijn extreem moeilijke afwegingen. Je wil ook geen situatie met klikspanen en verstoorde relaties binnen het broodfonds.” Fraude komt maar heel zelden voor, zegt Biba Schoenmaker van BroodfondsMakers. “Het is ook moeilijk aan te tonen natuurlijk.” Wanneer een broodfonds een conflict heeft, bemiddelen de BroodfondsMakers. Niet fraude, maar een verstoorde vertrouwensrelatie blijkt meestal de oorzaak. “Soms stappen mensen zelf op. Ze merken dat ze toch liever een zakelijke constructie hebben met een anoniem kantoor en een arbo-arts. Dat is ook prima. Het moet bij je passen, zeggen we altijd.”

Frits’ twijfels over mijn lange revalidatie loste hij uiteindelijk op door voor te stellen dat ik ook aan de bestuursvoorzitter mijn verhaal zou doen. Zij hoorde het aan, stelde wat geïnteresseerde vragen, en wenste me nog veel beterschap. Ik kreeg ook die maand een schenking.

Drie maanden later hebben we een algemene ledenvergadering via Zoom. Mijn revalidatie is nog niet helemaal klaar, maar ik kan inmiddels weer fulltime werken. Ik bedank iedereen voor hun steun en vertel hoe waardevol die is. De andere ex-zieke die na mij het woord neemt, bedankt niet, maar benadrukt uitvoerig hoe gekmakend het was om ziek thuis te zitten, hoe fantastisch het is om weer te kunnen werken. Nogal logisch, denk ik. Maar dan overvalt mij opnieuw dat ongemakkelijke gevoel: ze zouden toch niet denken dat ik het fijn vond om niet te werken?

Hoe werkt een broodfonds?
Alle broodfondsleden openen een speciale eigen rekening waarop ze maandelijks een vast bedrag storten, maar waar ze zelf geen geld af kunnen halen. Wanneer een broodfondslid ziek is, schrijft de administratie van de BroodfondsMakers maandelijks een schenkbedrag af van de rekeningen van de overige leden, en stort dit op rekening van de zieke. De hoogte van de schenking wordt bepaald door het inlegtarief: wie maandelijks veel inlegt, schenkt aan zieken ook relatief veel, maar ontvangt zelf bij ziekte ook een hogere schenking dan leden die voor het lagere maandelijkse inleg kiezen. De eerste maand van ziekte is voor eigen risico, en je ontvangt maximaal twee jaar schenkingen. Als je uit het broodfonds stapt, mag je het geld dat op je broodfondsrekening staat meenemen. Zo’n 27.000 mensen zijn lid van een broodfonds. Meer informatie op: broodfonds.nl

Ervaringen van anderen:

Monique (54), maatschappelijk werker en fotograaf uit Amersfoort
“De nekslag was het overlijden van mijn zus. Ze was gehandicapt en sinds twee jaar ziek, waardoor haar toestand erg achteruitging. Ik coördineerde haar zorg, de maanden voor haar dood ging ik soms elke dag op en neer van Amersfoort naar Nijmegen om te overleggen met de artsen. Toen ze overleed, was het met mij meteen klaar: ik kon geen boe of bah meer zeggen. Een heel heftige burn-out.

Het was een samenloop van omstandigheden: vijf maanden eerder was bij mij een vorm van reuma geconstateerd. Ik had pijnaanvallen en was erg moe. Ik had me daarom al voor 50 procent ziek gemeld bij mijn broodfonds. Toen mijn zus overleed, werd dat 100 procent.

Ik had hard gewerkt als zzp’ende maatschappelijk werker, waardoor ik een kleine financiële buffer had opgebouwd. Samen met de schenkingen van het broodfonds kon ik rondkomen. Ik voelde me dankbaar, maar ook bezwaard – het besef: ik leef nu van de schenking van anderen. Gelukkig ontving ik alle begrip en ondersteuning. Mede door het maandelijkse contact met het broodfondsbestuur zag ik in: werken gáát gewoon nu niet. ‘Niemand is erbij gebaat als je te snel weer aan het werk gaat’, zeiden ze.

Ik heb twee jaar lang schenkingen gekregen, de maximale duur. Ik kan me voorstellen dat sommigen dachten: ‘hè, nog stééds?’ Daarom ben ik zoveel mogelijk naar de Algemene Ledenvergaderingen gegaan. Ik vond het belangrijk me te laten zien. Ik voelde me kwetsbaar en labiel, en dat was ook zichtbaar. Stel dat mensen zouden twijfelen aan mijn intentie, dan konden ze met mij dat gesprek aangaan. Maar dat heeft nooit iemand gedaan. Het werd vooral gewaardeerd dat ik er was.

Ik ben nog niet helemaal hersteld. Ik krijg nu maximaal een jaar een bijstandslening voor zelfstandigen, en werk aan mijn doorstart als fotograaf – het andere vak dat ik naast mijn maatschappelijk werk uitoefende. Mijn herstelproces heb ik verwerkt in een fotoboek met gedichten. Bij mijn broodfonds zit ik nog steeds, uit dankbaarheid en solidariteit naar mijn mede-broodfondsleden.”

Bartelijn Ouweltjes (41), theatermaker uit Amersfoort
“De eerste keer dat ik zag dat er geld van mijn rekening af ging, moest ik toch even slikken. Maar meteen daarna dacht ik: wat mooi dat we samen iemand kunnen ondersteunen die het moeilijk heeft. Het is fijn om dan ook iets van diegene te horen – niet omdat ik dankbaarheid hoef, maar het is wel goed te weten bij wie het terechtkomt.

Ik merkte dat we op onze broodfondsvergaderingen nauwelijks spraken over hoe je goed voor jezelf zorgt, wanneer je je ziek meldt. Kan iemand ‘schuldig’ zijn aan z’n ziekte? Moeten we elkaar aanspreken op ongezond gedrag? Het voelt ongemakkelijk daarover te praten zonder dat het roddelen wordt, en zonder dat mensen zich aangevallen voelen.

Met mijn theatergroep Bint maak ik voorstellingen om lastige onderwerpen bespreekbaar te maken. Bij mijn broodfonds speelden we twee type ondernemers: de ene workaholic, hard voor zichzelf en haar omgeving; de ander weinig zakelijk, vindt tijd met haar gezin minstens zo belangrijk als werk. We overdreven de personages, en vroegen de broodfondsleden kleur te bekennen: op wie lijk je het meest? Hoe kijk je naar de ander?

De leden waren het lang niet altijd met elkaar eens, maar ze durfden zich uit te spreken omdat het over de gespeelde personages ging. Een broodfonds draait om vertrouwen: om dat op te bouwen, moet je met elkaar over je standpunten praten.

Zelf heb ik nooit bedenkingen gehad wanneer iemand schenkingen ontving. Ik denk dat ondernemerschap en ziekte voor iedereen anders is. Mijn grens is niet gelijk aan die van een ander. Het is mooi dat bij een broodfonds die verschillen mogen bestaan – dat er niet via een strak protocol door een ander wordt bepaald wanneer iemand weer moet werken. Heel, heel soms heb ik dat stemmetje in mijn achterhoofd: ‘er zal toch niemand misbruik maken?’ Maar ik heb besloten: ik vertrouw dit gewoon. Dat we open met elkaar hebben gepraat, helpt die beslissing te maken.”

Romeo Charmes (62), hr- en organisatie-adviseur uit Assen
“Ik ken de leden persoonlijk, ik weet welk werk ze doen. Wil ik mijn tuin renoveren, dan bel ik de hovenier uit ons broodfonds. Geef ik een kerstborrel op mijn kantoor, dan vraag ik de taparia en keurslager uit mijn fonds om de hapjes te verzorgen. Ons broodfonds draait wat mij betreft niet alleen om de schenkingen: je hebt ook in één klap een netwerk van zo’n vijftig ondernemers met wie je kunt samenwerken, of vrienden wordt.

We komen minstens vier keer per jaar samen: een nieuwjaarsreceptie, een Algemene Ledenvergadering, een zomerbarbecue en een najaarsvergadering. Vooral in het begin hebben we elkaar min of meer verplicht om naar die activiteiten te komen, want het is belangrijk dat je elkaar leert kennen. Twee keer niet komen, was onacceptabel. We bestaan nu zo’n zeven jaar en zijn een hechte club geworden.

Ik ben drie jaar penningmeester geweest in het bestuur, dat maandelijks bij elkaar komt. Aspirant-leden zoeken we thuis op met een welkomstcommissie. We bespreken dan of de kandidaat achter het doel en het maatschappelijke belang van het broodfonds staat. En – heel belangrijk – of-ie bereid is actief mee te doen. Als het mogelijk is, gaan we ook bij de zieken langs. Niet om te controleren, maar om ze een hart onder de riem te steken. We nemen een bosje bloemen mee, een doosje bonbons – wat je ook zou doen bij een vriend of goede zakenrelatie.

Ons broodfonds staat er financieel goed voor. De eerste vier jaar hadden we zelfs nul zieken. We hebben ook een keer geld teruggekregen, omdat we het maximale spaarbedrag hadden bereikt. Maar we hebben ook langdurig zieken gehad: zoals iemand die kanker kreeg en daar uiteindelijk aan overleed. Toen hebben we als broodfonds besloten dat we zijn weduwe nog twee maanden schenkingen doorbetaalden. We hebben erover gestemd tijdens de ALV. Iedereen was het ermee eens. Natuurlijk, we kenden hem zo goed.”

Leave a Reply